VADSTENA.
Boek 9 - KAP. 21 LATIJNSCHE TEKST, 19 ZWEEDSCHE TEKST.

Gods bruid meende in een groot vertrek te zijn, waar vele menschen verzameld waren. En de Maagd Maria zeide tot den Koning van het hemelrijk : “Mijn Zoon, geef mij deze plaats, Vadstena.” Toen kwam de duivel er dadelijk bij en zeide : Die plaats is van mij en ik heb er drievoudig recht op. Ik bezielde den stichter er van met den wil om die te bebouwen, en de hoofdmannen van dit gebouw waren mijn dienaars en vrienden. Ten tweede is dit de plaats van woede en straf, omdat mijn vrienden, die volgens mijn wensch kwaadaardig waren, hier hun onderdanen straften zonder eenige barmhartigheid, daarom is de heer van de straf en de hoofdman der woede hier meester; en de plaats is aan mij.

Ten derde heeft deze stad mij nu gedurende vele jaren toebehoord, en waar mijn wil regeert, daar heb ik mijn zetel.” Toen zeide de Maagd tegen den rechter : “Mijn Zoon, ik vraag u, wat rechtvaardig is. Indien iemand een ander van zijn goederen en geld beroofd had en bovendien den ander dwong tot zijn nadeel een huis voor het geld te bouwen, dat hem ontnomen werd, aan wien behoorde dan het huis?”

Onze Heer antwoordde : “Mijn lieve moeder, volgens het recht, behoort het huis aan hem van wien het geld was en die er aan werkte.” Toen zeide Onze Vrouwe tot den duivel : “Gij hebt dus geen recht op dit huis.” En de Maagd Maria vroeg den rechter verder : “Indien iemands hart vervuld was van boosheid en woede en de barmhartigheid en genade er toegang vond, wat moest dan wijken?”

De rechter antwoordde : “De boosheid en woede moesten wijken en vluchten voor de barmhartigheid !” Toen zeide de Maagd Maria tot den duivel : “Daarom is het aan u te vluchten, want gij zijt de heer der straf en de hoofdman der woede. Maar ik, de Koningin van het hemelrijk, ben de moeder der genade, want ik erbarm mij over allen, die mij aanroepen.” En de Maagd Maria vroeg voort : “Mijn Zoon, indien de beul in een huis vertoefde en zijn meester kwam om op zijn zetel plaats te nemen, wat moet de beul dan doen?” De rechter antwoordde : “Het recht verlangt dat de beul opstaat en de meester plaats neemt waar het hem behaagt.” Toen zeide de Maagd tot den duivel : “Daar gij mijn Zoons beul zijt en ik uw heerscheres ben, is het rechtvaardig dat gij verdwijnt en ik mij zet waar ik wil.”

Daarop zeide de rechter tot de Maagd : “Mijn lieve moeder, gij hebt deze stad rechtvaardig verkregen, daarom zal zij de uwe zijn, en ik ken haar u toe. En evenals het geween en gesteun van ongelukkigen in deze stad geklonken heeft, die in hun ellende hier op aarde mij aanriepen en hun geroep tot mij doordrong, zoo zal nu de stem van hen die mij in deze stad loven, tot mij opstijgen. En zooals vroeger deze stad het tooneel geweest is van woede en straf, zullen nu in deze stad verzameld worden degenen die zullen bidden om genade en erbarming en vergiffenis der zonden zoowel voor de levenden als de dooden en mij tot zachtheid stemmen voor het welzijn van dit rijk.” Daarna sprak de rechter tot de Maagd : “Geruimen tijd is uw vijand meester over deze stad geweest, maar in het vervolg zult gij hier heerscheres en Koningin zijn.”