CHRISTUS BEVEELT HET VOLK BELASTING TE BETALEN OM DEN BOUW VAN HET KLOOSTER TE VADSTENA TE KUNNEN BEGINNEN.
Boek 9 - KAP. 32 LAT. TEKST ; KAP. 38 ZWEEDSCHE TEKST.

Christus spreekt : “Ik ben degeen, die Abram gebood zijn zoon te offeren, niet omdat ik te voren zijn onovertreffelijke gehoorzaamheid niet kende, maar omdat ik wenschte, dat zijn goede wil getoond kon worden aan hen die na hem kwamen en hen tot hetzelfde zou aansporen. Zoo wil ik ook nu, dat de heeren van het land een klooster zullen bouwen ter eere van mijn moeder, opdat de zonden in het rijk verminderen. Tot het oprichten van dit klooster vraag ik het volk om hulp, niet omdat het noodig is voor Hem, die Heer is over alles, maar opdat hun bereidwilligheid een goed voorbeeld voor anderen zij.

Daarom moet een ieder, die den wettigen leeftijd bereikt heeft en ongetrouwd wil blijven, hetzij man of vrouw, een penning gangbare munt geven. Eveneens moeten zij, die getrouwd zijn, voor zich zelf en zijn vrouw twee penningen geven voor het bouwen van dit mijn moeders klooster. En zij, die zonen en dochters hebben, die den wettigen leeftijd bereikt hebben van zestien jaar, moeten voor ieder kind een penning geven, opdat hun liefde en gehoorzaamheid grooter zullen worden. Maar religieusen, die mij zich zelf geven en al wat het hunne is, en de priesters, die deel aan mij hebben, zijn vrij. Eveneens zijn knechten en dienstvolk uitgezonderd, omdat zij hun brood eten in het zweet huns aanschijns en geen meester over zich zelf zijn.”