BROEDER GEREKINUS IN ALVASTRA.
Boek 9 - KAP. 55

Een monnik van heiligen wandel in het klooster te Alvastra vertelde onder tranen en zwoer prior Petrus onder eede, dat toen Vrouwe Birgitta haar intrek in hetzelfde klooster had genomen, de monnik, met verwondering in zijn hart en uit ijver voor den regel en de heiligheid er van in zichzelf gezegd had : “Waarom woont deze vrouw in het klooster voor monniken, wat tegen onzen regel strijdt en waarom voert zij er nieuwe zeden in?” In het gebed raakte dezelfde broeder in geestesvervoering en hoorde een stem, die tot hem sprak : “Deze vrouw is Gods vriend en is in het klooster gekomen om op dezen berg bloemen te plukken, waardoor iedereen, ook menschen aan den overkant van de zee en aan de grenzen der wereld, genezing zullen vinden.”

Deze broeder heette Gerekinus en was zoo heilig in leven en wandel, dat hij gedurende veertig jaar nooit het klooster verliet, maar dag en nacht in gebeden waakte en van God de bizondere genade verkreeg, dat hij onder zijn gebed bijna voortdurend de negen engelenkoren aanschouwde. Hij zag ook terwijl de Heilige Hostie werd opgeheven Christus in de gedaante van een knaap.