BIRGITTAS ECHTGENOOT, ULF GUDMARSSON, NA DEN DOOD.
Boek 9 - KAP. 56 LAT. TEKST. VIJFDE BOEK, KAP 24 ZWEEDSCHE TEKST.

Een ziel vertoonde zich aan de H. Birgitta en zeide: “Ik heb de rechtvaardigheid des rechters ervaren, maar nu wordt de strengheid verminderd, en nadert de barmhartigheid. Ik heb vijf zonden begaan, waarover ik volmaakt berouw gehad heb. De eerste is, dat ik veel gezondigd heb met den dwazen knaap, dien gij kent, en mij vermaakt heb over zijn zotte en belachelijke gebaren. De twedde is, dat ik voor mijn dood de weduwe niet vergoed heb, wat ik van haar gekocht heb, zooals gij wel weet, want ik heb het vergeten. En als zij morgen bij u komt, betaal haar dan zooveel als zij vraagt, want zij vraagt niet meer, dan waarop zij recht heeft.

De derde is, dat ik schertsend iemand beloofde bij te staan in zijn moeilijkheden, waardoor hij zich de stoutmoedigheid veroorloofde om tegen den koning op te staan en zich tegen de wet te verzetten. De vierde is dat ik medespeelde in het tournooispel en deelnam aan andere ijdele genoegens, meer uit zucht naar roem en uit hoogmoed dan tot eenig nut. De vijfde is, dat ik zeer streng en onvermurwbaar geweest ben tegen een ridder, opdat hij uit het land verbannen zou worden, en hoewel hij schuldig was, heb ik mij toch minder barmhartig tegenover hem gedragen, dan ik doen moest.”

Toen zeide Birgitta: “O! Ziel, ziel, wat diende u eerst tot redding, of wat kan u redden van de straf?” De ziel antwoordde: “Zes dingen hebben mij geholpen. Ten eerste de biecht en ik biechtte iederen Vrijdag, als ik een biechtvader had en den oprechten wil had om mij te beteren. Ten tweede de rechtvaardigheid die ik betracht heb toen ik zitting had in het gerecht en niet veroordeelde uit partijdigheid noch uit geldzucht, maar mijn oordeel nauwkeurig overwoog en bereid was te herstellen, waarin ik gefaald had. Ten derde de gehoorzaamheid die ik mijn biechtvader getoond heb, toen hij mij onthouding voorschreef gedurende den tijd dat mijn vrouw zwanger was.

Ten vierde de voorzichtigheid die ik in acht genomen heb door de armen niet te veel te ergeren met mijn gastmalen en geen schulden te maken. Ten vijfde de onthouding die ik mijzelf heb opgelegd gedurende de bedevaart naar het graf van den H. Jacobus, want onderweg heb ik niets gedronken om te boeten voor de vele uren die ik te lang aan tafel gezeten heb en voor alles wat ik toen gezegd heb. En nu ben ik zeker van mijn zaligheid, hoewel ik niet weet, wanneer ik gered zal worden. Ten zesde mijn besluit om iemand te kiezen dien ik voor rechtvaardig hield en die mijn schulden betalen zou.

En omdat ik vreesde veel schuld te hebben, gaf ik den koning zijn kantons terug, opdat deze schuld geen invloed hebben zou op Gods oordeel.
En nu smeek ik u om hulp. Laat gedurende een heel jaar Missen voor mij lezen, ter eere van Onze Lieve Vrouwe de H. Maria en ter eere van alle heilige engelen en van alle Heiligen en ter eere van alle geloovige zielen en verder ter eere van het lijden van Onzen Heer en Heiland Jezus Christus, want ik hoop spoedig gered te worden.

Wees vooral goed jegens de armen. Geef mijn sieraden weg en mijn paarden en alles wat mij het meest verheugde. En, indien het u mogelijk is, laat dan eenige kelken maken die gebruikt kunnen worden voor Gods eeredienst. Want dit draagt veel bij tot meerdere zaligheid der ziel. Laat uw vaste goederen na aan de kinderen, want volgens mijn geweten heb ik niets daarvan op onrechtvaardige wijze verkregen, noch anderen tegen hun wil ooit iets onthouden.”