| BIJ DEN DOOD VAN INGEBORG. |
| Boek 9 - KAP. 98 |
|
Toen de bruid van Christus hoorde, dat haar dochter Ingeborg, die non in het klooster te Riseberg was, overleden was, zeide zij juichend : “O, Heere Jezus Christus, o mijn geliefde, gezegend zijt Gij, die haar riep, voor de wereld haar verstrikte.” En aanstonds ging zij naar haar bidkamer en weende en zuchtte er zoo zeer, dat haar omgeving het hoorde. Maar toen verscheen Christus haar en zeide: “Vrouwe, waarom weent gij ? Inderdaad, ik weet alles, maar ik wil het hooren uit uw eigen mond.” Zij antwoordde : “O, Heer, ik ween niet, omdat mijn dochter dood is, ik verheug er mij eer over, omdat zij, indien zij langer geleefd had, nog meer rekenschap voor U had af te leggen. Maar ik ween, omdat ik haar niet heb opgevoed volgens Uwe geboden.
|