BIJ HET GRAF VAN BISSCHOP BRYNJOLF TE SKARA.
TWEEDE BOEK, KAP. 22.

De maagd Maria, moeder Gods, sprak tot haar Zoon en zeide: “O mijn Zoon, geef uw nieuwe bruid, dat de wortels van uw heilig lichaam zich in haar hart vasthechten, opdat zij in u verandere en van uw liefde vervuld worde!” Daarop zeide zij: “Toen deze heilige man in de wereld leefde, was hij standvastig in het geloof als een berg. Geen (tegenstand boog hem, geen) ijdele begeerte hield hem van het geloof af. Hij voegde zich naar uw wil als de beweegbare lucht, waar uw geest hem voerde. Hij gloeide van liefde als vuur, dat de kouden warmt en de slechten verteert.
En nu heeft zijn ziel deel aan uwe glorie, en toch ligt zijn stoffelijk overschot op een onwaardige plaats. Daarom, mijn zoon, geef ook zijn lichaam meer eer. Eer hem, die u eerde met al zijn kracht en en macht. Verhef hem, die u verhief met zijn werk, zooveel hij vermocht.”

De Zoon antwoordde: “Gezegend zijt gij, want gij verzuimt niets, wat mijne vrienden aangaat. Het is niet passend, moeder, zooals gij ziet om den wolven het beste voedsel te geven; evenmin is het noodig, dat de safier, die de gezoden bewaart en zieken sterkt, in de modder gelegd wordt, of dat licht ontstoken wordt voor de blinden. Voorwaar, evenals deze man standvastig was in het geloof en gloeide van liefde, was hij ook wat matigheid aangaat geheel volgens mijn wil.

Daarom smaakt hij mij als de beste spijs, sterk in geduld en in alle droefheid, zacht en goed in willen en wenchen, beter in verleiding en in voorspoed, het best en het heerlijkst in zijn lofwaardig einde en zucht naar volmaaktheid. Daarom is het niet noodig dat zulk een spijze opgedient, of toebereid zal worden voor wolven, wier gulzigheid geen maat kent en die verrot vleesch verkiezen boven welriekende kruiden en gevaarlijk zijn voor het schaap. Hij was als de safier in den gouden ring, zoo schitterend was zijn roem en zijn leven.

Daardoor bewees hij de bruidegom te zijn van zijn Kerk, de vriend zijns Heeren, iemand die het heilig geloof bewaarde en de wereld verloste. Daarom, o dierbare moeder, is het niet noodig, dat iemand, die zoo goed was in aanraking komt met zulke onreinen, of dat iemand die den ootmoed zoo nastreefde omgeven is door hen, die alleen de wereld lief hadden. Ten derde was hij als een lichtende kandelaar, doordat hij al mijn geboden nakwam en met zijn goede levenslessen de standvastigen bijstond, opdat zij niet vallen zouden, en de gevallenen wederom oprichtte. Ook verlichtte hij nog het pad van hen die na hem kwamen.

Die licht zijn zij onwaardig om te zien, die door eigenliefde verblind zijn geworden; dit licht kunnen zij niet zien die de staar des hoogmoeds hebben; dit licht zullen schurftige handen niet aanraken. Want dit licht is zeer gehaat door de gierigen en door hen, die hun eigen wil liefhebben en hun zondige lusten willen volgen. Daarom is het rechtvaardig dat alvorens hem meer eer bewezen wordt, zij die onrein zijn gereinigd worden en zij die blind zijn ziende worden.

Maar dat de man, van wien het volk des lands zegt dat hij heilig is, niet heilig is, wordt door drie dingen bewezen: Ten eerste omdat hij niet zulk een leven leidde als de heiligen leidden voor hun dood. Ten tweede omdat hij niet gezind was ter wille van God te sterven. Ten derde omdat zijn liefde niet vurig en wijs was, zooals die der heiligen is. De leugens van bedriegelijke menschen, die naar gunst streven, en de lichtgeloovigheid van onverstandige lieden zijn de oorzaak dat het volk als heiligen beschouwt die geen heiligen zijn. Maar of de ziel in de hel is, of in het vagevuur vertoeft, dat is den mensch niet veroorloofd te weten voor het oogenblick daartoe gekomen is.