JEZUS BAANT EEN WEG IN DE WOESTIJN DER WERELD.
TWEEDE BOEK, KAP. 7.

Gij verwondert u, waarom ik met u spreek en waarom ik u zulke groote dingen toon. Zuo het voor u allein zijn) Voorzeker niet. Ook tot kennis en redding van anderen.
De wereld was als een woestijn, waarin slechts éen weg was, die naar den diepsten afgrond leidde. In de diepte waren twee ruimten, waarin allen, die beneden kwamen, opgenomen werden. De eene ruimte was zoo diept, dat er geen bodem onder was, en die daarin neerdaalden, kwamen nooit meer boven. De andere was niet zoo diep als de eerste en minder verschrikkelijk, maar die er in nederdaalden hoopten op hulp, en allen hadden denzelfden wensch en hetzelfde verlangen, en voelden zich niet ongelukkig; zij werden het duister gewaar, maar leden geen pijn.

Zij die in de tweede ruimte verbleven, riepen steeds naar een heerlijke plaats, die daar vlak bij was en gevuld met alles wat goed was en zoet. Zij riepen luid, want zij kenden den weg die hen naar de plaats leiden moest, maar het bosch in de woestijn was zoo dich en dik, dat zij niet voort konden en zij misten de kracht om een weg te banen. En wat riepen zij? Zij riepen: “O Heere God, kom en geef hulp, wijs den weg en verhoor ons, die U wachten. Wij hebben geen andere redding dan U.”

Dit roepen kwam mij ter oore in het hemelrijk en ontroerde mij en bewoog mij tot barmhartigheid; ik werd verzacht door dat dringend roepen en verscheen als een pelgrim in de woestijn.
Maar voor ik naderde en begon te werken, hoorde ik een stem, die zeide: “Nu is de bijl aan den boom gelegd.” Van wien was die stem anders dan van Johannes den Dooper, die voor mij gezonden werd en in de woestijn riep, zeggende: “Reeds ligt de bijl aan den wortel der boomen,” alsof hij zeggen wilde: “Wees nu gereed, mensch, want nu is de bijl gereed. Hij is gekomen die den weg naar de stad zal banen en alles uitrukken, wat tegenstand biedt.” En ik kwam en werkte, van het oogenblick dat de zon opging totdat zij onderging; dat is: van het oogenblick af dat ik het menschelijk bestaan aannam, tot aan den kruisdood, werkte ik voor de zaligheid der menschen, vluchtend aan het begin van mijn intreden in de wereld voor mijn vijanden en voor Herodes, die mij haatte.

Ik werd door de duivels in bekoring gebracht, ik werd door de menschen gehaat, ik doorstond menigvuldigen arbeid, ik at en ik dronk en ik voldeed alle andere nooddruft des lichaams zonder zonde, ter versterking van het geloof, en om mijn ware natuur te toonen en mijn menschelijkheid. Daarna, als ik den weg naar het hemelrijk bereidde en de hinderlijke struiken uitrukte, staken de scherpste dorens en stekels mij in de zijden, en scherpe ijzeren spijkers verscheurden mijne handen en voeten, en mijn tanden en wangen werden deerlijk geslangen. Maar ik verdroeg het geduldig en week niet terug, maar ging des te ijveriger voorwaarts.

Op dezelfde wijze als een dier, dat door honger gedreven wordt en een man ziet, die een scherpe spies gereed houdt, toch naar de spies toespringt omdat het honger heeft en den man verslinden wil en hoe diep de man het dier de spies ook in de ingewanden duwt, het dier zich toch tegen de spies blijft aandrukken, totdat de ingewanden en heel het lichaam doorstoken zijn, zoo gloei ook ik van zoo groote liefde voor de ziel, dat toen ik de allerbitterste pijn zag, en ondervond, hoe gewillig de mensch was om mij te dooden, ik des te vuriger wenschte de pijnen te lijden tot redding der zielen.

Zoo ging ik voort in de woestijn dezer wereld onder ellende en arbeid, en bereidde den weg met mijn bloed en mijn zweet. En wel mag deze wereld een woestijn genoemd worden, want alle deugd werd in haar verdorven, en de woestijn der ondeugden bleef over, waarin alleen éen weg was, die allen naar de hel voerde, de vervloekten naar de vervloeking, en de goeden naar verlaten duisternissen. Daarom, toen ik in mijn barmhartigheid hun verlangen hoorde, om gered te worden, verscheen ik en toog als pelgrim aan het werk. En onbekend wat mijn goddelijke macht betreft, bereidde ik den weg, die naar het hemelrijk leidt. En toen mijn vrienden dien weg zagen, en de groote inspanning die het moeilijk werk mij kostte en de vreugde van mijn gemoed, volgden velen mij gedurende langen tijd.

Maar nu is de stem veranderd, die riep: “Weest gereed!” En nu is mijn weg veranderd; weer zijn struiken en dorens opgegroeid en de meesten zijn in gebreke gebleven mijn weg te gaan. Maar de weg naar de hel is gemakkelijk te vinden en breed, en de meesten begaan dien. Toch is mijn weg niet geheel vergeten; enkele mijner vrienden betreden dien, uit verlangen naar het vaderland des hemels, als vogels vliegend van den eenen struik naar den andere en blijkbaar in het geheim mij dienden, uit vrees. Want allen vinden nu geluk en vreugde in het begaan van den weg der wereld. En omdat mijn weg smal geworden is en die van de wereld uitgestrekt en breed, daarom roep ik nu in de woestijn, dat is in de wereld, tot mijn vrienden, dat zij de dorens en distels uitrukken, en mijn weg begaanbaar maken voor hen, welke dien betreden willen.

Want evenals er geschreven staat: “Zalig zij die niet gezien en toch geloofd hebben,” evenzoo zijn zij zalig, die nu mijne woorden gelooven en die bekrachtigen door hunne werken. Voorwaar, ik ben als een moeder, die naar haar op den weg verdwaalden zoon ijlt en hem een licht geeft, opdat hij den weg zien zal, en in haar liefde hem op den weg tegemoet komt en dien verkort en hem vol vreugde omhelst.

Zoo zal ik met liefde naar mijne vrienden ijlen en naar allen, die bij mij terug willen komen, en ik zal hun hart en hun ziel verlichten met goddelijke wijsheid, en met glorie zal ik hen omhelzen en met alle hierscharen des hemelrijks, waar geen hemel boven is en geen aarde onder, maar waar Gods aanschijn is, waar geen eten of drinken is, maar Gods gelukzaligheid. Maar voor de boozen wordt de weg naar de hel geopend, de hel waarin zij zullen nederdalen, maar waaruit zij nooit wederkeeren. Zij zullen eer en vreugde verliezen, en vervuld worden van ellende en eeuwige schande. Ik spreek mijn woorden en ik toon mijn liefde, opdat zij die zich afgekeerd hebben, naar mij terug keeren en in mij den Schepper erkennen, dien zij vergeten hebben.