AAN DEN KARDINAAL VAN ALBANO.
DERDE BOEK, KAP. 10.

Gods moeder sprak tot haars Zoons bruid: “Vrees niet, dat de dingen, die gij nu hoort en ziet, van een boozen geest komen, want evenals twee dingen komen van de naderende zon, namelijk licht en warmte, die de donkere schaduw niet volgen, komen met het intreden van den Heiligen Geest in het hart van den mensch twee dingen: de wamte van de godvruchtige liefde en het volmaakte licht van het heilig geloof. Deze twee wordt gij nu gewaar, en deze twee volgen den duivel niet, die gelijk is aan de donkere schaduw.

Zend daarom aan hem, dien ik u noemde, mijn boodschap, en hoewel ik zijn hart ken, zijn antwoord en zijn spoedig einde, zoo moet gij hem toch mijne woorden zenden. De grondvesten van de Kerk zijn aan den rechterkant zoo treurig ondergraven, dat het bovenste gewelf veel barsten en scheuren heeft, waaruit gevaarlijke stukken vallen, zoodat velen, die binnen komen, daardoor het leven verliezen. En vele zuilen, die rechtop moesten staan, buigen zelfs neer tot op den grond, en de geheele vloer is zoo slecht, dat blinden, die binnen komen, gevaarlijk vallen en zelfs zij, die goed zien, af en toe met de blinden vallen in het gevaarlijk graf. Daarom is de toestand van de Kerk zeer gevaarlijk. Het bewijst, dat haar val nabij is, indien zij geen hulp krijgt. En haar val zal zoo groot zijn, dat die door de geheele christenheid gehoord zal worden.

En dit moet geestelijk opgevat worden. Ik ben de Maagd in wier lichaam Gods Zoon zich verwaardige te komen met zijn Godheid, door de werking van den Heiligen Geest, zonder eenige onreine lichamelijke begeerlijkheid. En dezelfde Zoon Gods werd geboren uit mijn gesloten schoot met Godheid en menschheid, door den Heiligen geest, tot mijn allergrootste vreugde en blijdschap, en zonder smart. Ik stond ook bij het kruis, toen Hij zegevierde en de hel overwon en door zijn hartebloed het hemelrijk opende. Voorwaar, ook was ik op den berg, toen diezelfde Zoon opsteeg naar het hemelrijk.

In waarheid ik ken geheel het heilig geloof, dat mijn Zoon predikte en leerde aan allen, die in het hemelrijk willen komen. Ik sta boven de aarde met mijn voortdurend gebed tot mijn dierbaarsten Zoon, als de regenboog boven de wolken staat en zich naar de aarde schijnt neer te buigen en die met de beide uiteinden schijnt te omvatten. Door dien boog versta en meen ik mij zelve, want ik buig mij naar hen, die op aarde vertoeven, boozen en goeden, beiden omvattend met mijn voortdurende gebeden. Ik buig mij naar de goeden, opdat zij standvastig in het goede mogen zijn, zooals de heilige Kerk gebiedt, en naar de boozen, opdat zij niet verder mogen gaan in hun boosheid en niet nog slechter worden.

Daarom verkondig hem, wien ik deze woorden zend, dat van zeker punt een donkere en vreeselijke wolk naar de klaarheid van den regenboog opstijgt. Hierdoor versta en meen ik hen, die een leven van ontucht leiden en hen, wier geldzucht even onmetelijk en bodemloos is als het water der zee, en die hun bezittingen kwistig verspillen uit wereldschen pronk en praal, zooals een stroom die met veel vertoon zijn water uitstort. En deze drie ondeugden bezitten nu vele leidslieden der Kerk, wier zonden ten hemel stijgen, afzichtelijk en donker voor Gods aanschijn, en bij mijn gebed afsteken als de donkerste wolk tegen de klaarheid van den regenboog. En zoo wekken zij, die samen met mij God gunstig stemmen moesten, de gramschap Gods tegen zich op.

En dezulken zouden niet verhoogd moeten worden in de heilige Kerk (maar vernederd). Want wie trachten wil de grondvesten der Kerk te verheffen, zoodat die vast liggen en verlangen den gezegenden wijngaard te bebouwen, dien mijn Zoon plantte en besproeide met zijn bloed, hem wil ik, koningin des hemelrijks, indien hij zich daartoe weinig in staat acht, te hulp komen met alle heirscharen des hemels, en uitrukken de met mos bedekte en kale stronken en onvruchtbare boomen en ze in het vuur werpen om te branden en vruchtbare twijgen in hun plaats planten. En door den wijngaard versta en meen ik Gods heilige Kerk, waarin twee dingen noodzakelijk vernieuwd moeten worden en wel, ootmoed en goddelijke liefde.