ROME VROEGER EN NU.
DERDE BOEK, KAP. 27.

O, Maria, hoewel ik vertoornd geweest ben, roep ik u te hulp, en ik smeek u, dat gij u verwaardigt te bidden voor deze verheven en heilige stad Rome. Ik zie met mijn oogen, dat sommige Kerken, waarin de beenderen der heiligen rusten, vernield zijn. Eenige daarvan zijn wel is waar in gebruik, maar het hart van hare voorgangers en hun zeden zijn ver van God. Verschaf en geef hun liefde. Want ik heb gehoord, dat er geschreven staat, dat er voor iederen dag van het jaar zeven duizend martelaren hier in Rome geteld worden. Hoewel de zielen voorzeker niet minder eer in het hemelrijk genieten al worden hun beenderen op aarde ook geminacht, toch bid ik u dat uw heiligen en hun relikwieën meer eer bewezen worden op aarde, opdat de heiligenvereering van het volk grooter worde.

Gods moeder antwoordde: “Indien iemand afbakende honderd voet aarde in de lengte en evenveel in de breedte en die vol zaaide met zuivere tarwe, zoo dicht, dat er geen afstand was tusschen het eene zaadje en het andere, maar dat zij éen lichaam vormde en ieder zaadje honderdvoudig vrucht droeg, dan waren er toch nog meer martelaars en geloovigen in Rome van den tijd af, toen Petrus ootmoedig naar Rome kwam, tot Celestinus afstand deed van den pauselijken zetel en naar de eenzaamheid terugkeerde. Maar ik spreek van de martelaars en geloovigen, die rechtvaardig en waarachtig geloof predikten tegenover ongeloof, ootmoed tegenover trots en stierven voor de waarheid van het geloof, of bereid waren daarvoor te sterven.

Maar Petrus en vele anderen waren zoo warm en vurig om Gods woord te verkondigen, dat zij het gaarne gedaan zouden hebben, indien zij hadden kunnen sterven voor ieder mensch afzonderlijk. Toch waren zij zeer bevreesd, dat zij aan den blik onttrokken zouden worden, van hen die zij opwekten door preeken en vertroostende woorden. Want zij dachten meer aan het welzijn dier zielen dan aan zich zelf en aan hun eigen eer. Zij waren ook voorzichtig, en daarom werkten zij in het geheim, in den tijd toen er openlijk haat heerschte van de heidenen tegenover de christenen, opdat zij aldus meerdere zielen voor God zouden winnen.

Niet allen tusschen Petrus en Celestinus waren goed, zoo min als allen slecht waren, maar sommigen waren beter, anderen best. De eersten dachten aldus: Wij gelooven alles wat de heilige kerk voorhoudt. Wij willen niemand bedriegen, allen dat wat onrechtvaardig verkregen is weergeven.

In den tijd toen Rome gegrondvest werd, waren er ook lieden, die dachten volgens hun geloof: Wij begrijpen en weten door al het geschapene, dat God de Schepper is aller dingen. Hem willen wij boven alles liefhebben. Velen dachten ook: Wij hoorden van de joden, dat de ware God zich aan hen geopenbaard heeft door vele wonderen. En daarom, indien wij wisten aan welken wij ons hechten zouden, deden wij het gaarne. En Petrus kwam op bepaalden tijd naar Rome en verlichtte zulke personen en leerde hun hoogere dingen en kennis van God.

Zoodat sommigen het ware geloof aannamen maar in echtelijke gemeenschap bleven volgens wettelijke regeling. Anderen schonken hun bezittingen weg uit liefde voor God en toonden anderen een voorbeeld door goede levenswijze in woord en daad en hadden God lief boven alles. Weer anderen eindelijk waren er die hun lichaam overgaven om gepijnigd te worden ter wille van God.
Maar tracht eens na te gaan hoe gloeiend nu de liefde voor God is! Zoek onder ridders en leeraars, zoek onder hen die rein leven, wie van hen de wereld zou verlaten en versmaden! Zeer zeker zal zeer zelden zoo iemand aangetroffen worden.

Er is geen harder leven dan het leven der ridders, indien zij hun ware bestemming getrouw blijven. Want aan de monniken is voorgeschreven dat zij een pij moeten dragen, maar aan de ridders iets wat veel zwaarder is, namelijk een maliënkolder, of harnas. Indien het den monnik zwaar valt te strijden tegen den lust des vleesches, zwaarder is het voor den ridder zich tevens onder gewapende vijanden te begraven.

Indien den monnik een hard bed bereid wordt, zwaarder is het voor den ridder om in de wapens te rusten. Indien de monnik geplaagd en gepijnigd wordt door onthouding, zwaarder is het voor den ridder geplaagd te worden door voortdurend levensgevaar en angst. Want de christelijke ridderschap werd niet ingesteld ter wille van wereldsche bezittingen en hebzucht, maar om de waarheid te verdedigen en het ware geloof te verbreiden. Maar nu hebben allen de goede en lofwaardige bestemming van hun stand verlaten, want liefde voor God is veranderd in liefde voors werelds lusten. En bood men iemand goud aan, liever verzwegen de meesten de waarheid, dan dat zij het goud zouden willen missen.”

Nu spreekt Gods bruid zeggend: “Ik zag verder vele tuinen op aarde en zag rozen en lelies in de tuinen. En op een groote uitgestrektheid van de aarde zag ik een akker, honderd voet in de lengte en evenveel in de breedte en op iederen voet zeven tarwekorrels gezaaid, en iedere korrel gaf honderdvoudig vrucht. Daarop hoorde ik een stem, zeggende: “O, Rome, Rome, uw muren zijn vernield en omvergeworpen. Daardoor zijn uw poorten zonder verdediging, daardoor worden uw heilige vaten verkocht, daardoor zijn uw altaren vernield, en stijgt geen zoete lucht op uit het Heilige der Heiligen.

En terstond daarop verscheen Gods zoon en zeide: “Ik zal u zeggen wat dit beduidt. De aarde, die gij zaagt, beteekent iedere plaats waar nu christelijk geloof is. De tuinen beteekenen de plaatsen, waar de heiligen hun kronen wonnen. Evenwel leefden er velen van Gods uitverkorenen, zoowel onder de heidenen als in Jeruzalem en op andere plaatsen, die u nog niet getoond zijn. Een akker, honderd voet in lengte en breedte, beteekent Rome, want indien alle tuinen van de heele wereld vereenigd waren en vergeleken met Rome, voorzeker zou Rome even groot zijn wat de martelaars aangaat, die lichaamspijnen leden, omdat die stad uitverkoren is door Gods liefde.
En de tarwe, die gij op iederen voet zaagt, beteekent hen die door vleeschlijke onthouding en berouw en rein leven het hemelrijk binnen gingen. En de rozen beteekenen de martelaars, die vele plaatsen rood gekleurd hebben door het vergieten van hun bloed. De lelies zijn de leeraars, die het heilig geloof predikten en bekrachtigden met woord en daad.

En nu moet ik over Rome spreken, zooals de profeet over Jeruzalem sprak, zeggende: Vroeger woonde er rechtvaardigheid, en waren haar vorsten, vorsten des vredes. Maar nu is de stad veranderd in een vuilnishoop. O, Rome, indien gij uwe dagen wist en kende, dan zoudt gij weenen en u niet verblijden. Voorwaar in vroegere dagen war Rome als linnen, versierd met de schoonste kleuren, van den fijnsten draad geweven. De aarde was rood geverfd door het bloed der heiligen, en vermengd met de beenderen der heiligen. Maar nu zijn haar poorten vernield, want haar verdedigers en beschermers zijn in zonde vervallen.

De muren zijn omvergeworpen en worden niet verdedigd, want het verlies der zielen wordt niet geteld, maar het priesterschap en het volk dat Gods muren zijn, wordt vernield en in het rond verspreid door den wil des vleesches in te volgen en daaraan te voldoen. Gods heilige vaten worden schandelijk verkocht, want Gods sacramenten worden uitgedeeld voor geld en om in de gunst der menschen te komen.

De altern zijn vernield, want wie het ambt uitoefent met de heilige vaten, diens handeln zijn leeg aan liefde voor God. En hoewel hij waarachtig God in de handen houdt, is zijn hart toch niet vervuld van God, want het is vol vans werelds ijdelheid. Het heiligdom, waar de dienst volbracht wordt, beteekent goddelijk verlangen, waaruit liefde zou moeten opstijgen als een geur voor God en de medechristenen, en alle deugden en onthouding. Maar nu wordt het offer in de poort des tempels verspild, dat is in de wereld. Want alle liefde voor God is overgegaan in onmatigheid en wereldsche ijdelheid.

Zoo is Rome in waarheid, zooals gij zaagt. Vele altaren zijn vernield. Vele Priesters geven meer acht op de wereld den op God. Toch zult gij weten, dat van den tijd van den ootmoedigen Petrus, totdat Bonifacius den zetel besteeg, ontelbare zielen den hemel zijn binnengegaan. Toch mist Rome Gods vrienden nog niet, die tot God moesten roepen opdat Hij hun te hulp komend, zich over hen erbarme.