AAN GUSTAF TUNASON STURE.
VIERDE BOEK, KAP. 34.

De bruid van Christus zeide: Het is alsof ik mannen zie die touw draaiden. Sommigen maakten paarden gereed, anderen smeedden tangen, en weer anderen richtten galgen op. Toen ik deze dingen zag, verscheen mij een maagd die bedroefd scheen en treurende en mij vroeg, of ik dit begreep. En toen ik antwoordde, dat ik het niet begreep, zeide zij tot mij: “Al deze dingen, die gij ziet, verbeelden het geestelijk lijden, van iemand, die gij kent.

De touwen dienen om het paard te binden, dat de ziel moet voortsleepen, de tangen om neus en oogen en ooren en lippen stuk te knijpen, de galg om aan te hangen.” Toen ik over dit alles bedroefd was, antwoordde de maagd mij voor de tweede maal: “Wees niet bedroefd, want nog is er tijd, zoodat hij, als hij wil, het touw kan stuk rukken, de paarden omver werpen, de tangen als was versmelten en de galg afbreken.

En bovendien kan zijn hart zoo gaan gloeien van liefde voor God, dat al de zinnebeelden en strafwerktuigen hem tot de grootste eer zullen worden. Het touw, waarmee hij smadelijk gebonden zou worden, kan in een gouden gordel veranderd worden en in plaats van paarden, waardoor hij getrokken en door de straten gesleept zou worden, zullen engelen hem gezonden worden en hem voeren tot Gods aanschijn. In plaats van de tangen, waarmee hij smadelijk geknepen zou worden, zal aan zijn neus een goeden geur gegeven worden, aan den mond een goeden smaak, aan de oogen het schoonste gezicht en aan de ooren het heerlijkste gezang.”

VERKLARING.
Deze man van wien hier sprake is, was maarschalk. Hij kwam naar Rome met zooveel boetvaardigheid en ootmoed, dat hij blootshoofds naar vele Kerken ging, God biddend, en anderen verzoekend voor hem te bidden, dat hij niet naar zijn vaderland mocht terugkeeren, opdat hem niet gebeuren zou dat hij wellicht weer in zijn vroegere zonden herviel. God verhoorde dit gebed en die stem, zoodat hij stierf in Monte Fiascone, toen hij Rome verliet, en waarvan Onze Heer later zeide tot de H. Birgitta: “Zie dochter, wat mijn barmhartigheid deed en wat een goede wil doet. Deze ziel was in de klauwen des duivels, maar de goede wil ontrukte hem aan diens tanden, zoodat hij nu op weg is naar het hemelrijk en al het goede deelachtig wordt, wat in de heilige Kerk gedaan wordt.”