DROOMEN.
VIERDE BOEK, KAP. 38.

Christus sprak tot zijn bruid: “Waarom verheugt gij u zoo over blijde droomen en waarom treurt gij zoo over de droeve? Heb ik u dan niet in waarheid gezegd, dat de duivel afgunstig is en dat hij zonder mijn vergunning niet meer doen kan dan een stroohalm onder uw voeten? Ik zeide u ook, dat hij de vader en uitvinder is van de leugen, en dat hij soms eenige waarheid onder al zijn valschheid mengt. Daarom zeg ik u, dat de duivel niet slaapt, maar rondwaart, opdat hij een gelegenheid tot bedrog vinde. Daarom moet gij oppassen, dat de duivel, die door zijn scherpzinnige wijsheid en uits menschen uitwendig bewegingen diens innerlijk opmaakt, u niet bedriege.

Want hij verwekt soms blijde droomen in den geest, opdat gij vervuld zoudt zijn van ijdele vreugde, soms droeve, opdat gij door het verdriet eenige goede werken zoudt nalaten, die gij hadt moeten doen, en opdat gij allendig en verdrietig zoudt zijn, vóór de ellende komt. Soms vervult hij een hart, dat misleid is en de wereld behagen wil, met allerlei valschheid en leugen, zoodat velen bedrogen worden, gelijk geschiedde met de valsche profeten. En dat geschiedt met den mensch, die andere dingen meer liefheeft dan God.

Zoo gebeurt het, dat onder vele valsche woorden, vele ware gevonden worden, want de duivel kon nooit bedriegen, indien hij leugen niet met waarheid vermengde, zooals zichtbaar was aan den man, dien gij zaagt en in wien de duivel was. Want hoewel hij toegaf en erkende, dat er een God is, toonden toch zijn woorden en schaamtelooze handelingen, dat de duivel in hem woonde en hem in bezit had. En nu kunt gij vragen waarom ik den duivel toelaat te liegen. Ik antwoord, dat ik dat laat geschieden tengevolge van de zonden van het volk en de priesters, omdat zij weten willen, wat God niet wenscht dat zij weten zullen, en voorspoed wenschten, dien God zag dat niet nuttig voor hun zielen was.

Daarom laat God ter wille van de zonden vele dingen toe, die niet gebeuren zouden indien de menschen Gods genade en hun eigen verstand niet misbruikten. Maar de profeten, die niets anders begeerden dan God en Gods woord alleen en voor niets anders wilden spreken dan ter wille van God, werden niet bedrogen, maar zij spraken en beminden het woord der waarheid. Doch, evenals niet alle droomen opgemerkt, noch op alle acht gegeven moet worden, zoo moeten alle ook niet versmaad worden, want soms geeft God ook den slechten goede dingen in, of toont hun die, zelfs soms op hun sterfbed, in hun laaste uur, opdat zij zich bekeeren zouden.

En soms geeft hij den goeden in den droom goede dingen in, opdat zij naar God des te meer verlangen zouden. Daarom, wanneer u dit overkomt, zet er uw hart niet op, maar overweeg en beschouw ze tezamen met uw geestelijke vrienden, of ook laat ze geheel varen en verwijder ze uit uw hart, alsof gij ze niet gezien hebt, want hij, die behagen schept in zulke dingen, wordt voortdurend bedrogen en verontrust. Wees daarom standvastig in het geloof aan de Heilige Drievuldigheid, bemin God uit geheel uw hart; wees gehoorzaam in voor zoowel als tegenspoed; houd uzelf in uw gedachten niet voor beter dan anderen, maar vrees altijd zelfs bij uwe weldaden.

En houd uw meening niet voor wijzer dan die van anderen en geef uw geheelen wil over aan God en wees bereid voor alles wat God wil. Dan behoeft gij geen droomen te vreezen; zelfs al zijn zij blijde, moet gij er toch niet aan gelooven, of ze niet begeeren, indien gij er Gods glorie niet in ziet. Zijn zij droef, wees niet verdrietig, maar stel al uw hoop op God.”

Daarop sprak Gods moeder: “Ik ben de moeder der barmhartigheid, die voor de dochter, die sliep, kleederen gereed maakte, en voor de dochter, die zich kleedde, het vuur, en voor de dochter, die arbeidde, een kroon en alle goeds.”