KARL KARLSSON. BIRGITTAS TROONSCANDIDAAT IN 1363.
VIERDE BOEK, KAP. 55.

Bedenk, dat van Mozes geschreven staat, dat de koningsdochter hem in het water vond en hem liefhad als een zoon. En er staat geschreven dat Mozes een land veroverde door vogels die de vergiftige slangen verorberden. Ik ben een koningsdochter van Davids geslacht, ik wil liefhebben het knaapje, dat ik vond in de golven der tranen, die voor zijn ziel vergoten werden, verborgen in het omhulsel van zijn lichaam. En gij, mijne vrienden, zooals ik u gezegd heb, zult hem opvoeden, totdat hij op den leeftijd gekomen is, dat ik hem wapenen wil en hem zenden om het koninkrijk der hemelen te winnen. Maar hoe dat gebeuren zal, is u onbekend en mij bekend. Want ik wil hem zoo uitrusten, dat van hem gezegd zal worden: Hij leefde als een man, stierf als een held en kwam voor het ordeel als een goed ridder.

BIJVOEGSEL.
Gods zoon spreekt: “Als een uitgehongerd dier weggedreven wordt van zijn prooi, wacht het op een afstand om gelegenheid te vinden naar de prooi terug te keeren, en daarom gaat het niet naar zijn hol terug. Zoo heb ik gedaan met den vorst van dit land. Ik heb hem gemaand met mijn weldaden, ik heb hem gemaand met woord en met tucht, maar hij is des te ondankbaarder en nalatiger, hoe zachter ik mij tegenover hem toon. Daarom roep ik hem nu van de kroon, zoodat hij vertrapt zal worden, omdat hij niet in de kroon wil zijn. En ik zal hem en zijn vleiers een gevaarlijken adder zenden, broedsel van een vrouwelijke adder en een arglistigen vos, die onrust over het land en de inwoners er van brengen zal, de eenvoudigen uitplunderen en zal opstijgen naar de hoogste toppen van het land en de hoorvaardigen omverwerpen en vertrappen. Maar de knaap, dien mijne vrienden zullen opvoeden, zal ik naar een anderen weg leiden, totdat hij op een eervoller plaats komt.”

Verder sprak Gods Zoon: “Daarbij zal gezegd worden van dien jongeling, dat hij leefde als een man en streed als een dapper ridder. En hij zal gekroond worden als een vriend Gods. O, dochter waar is het geloof, of wat meenen de vrouwen, die zich er op beroemen, dat hun zonen leven in overdaad? Het is geen eer, maar een gebrek de overdaad des konings na te volgen. Maar een eer is het, en hij is een ridder van eer, die er zich op beroemt, God eer te geven, zooveel hij kan, en zich daarvoor beijvert. En hij, die bereid is te lijden, wat God wil dat hij lijden zal, zulk een is Gods ridder, en zulk een zal gekroond worden met het ridderschap des hemels.”