BIJ DEN DOOD VAN NICOLAUS ACCIAJUOLI.
VIERDE BOEK, KAP. 7.

Iemand, in gebeden wakend en niet slapend, meende in een geestelijk visioen, een paleis te zien, onmetelijk groot met ontelbare lieden, gekleed in witte en schitterende kleederen en ieder had zijn eigen afzonderlijken zeten. En in het paleis stond een vorstelijke en majestueuze rechterstoel, waarin de zon scheen neergezeten. En het licht en de glans die van de zon uitging, was onmetelijk in lengte, diepte en breedte. Een jonkvrouw stond bij den zetel en had een kostbare kroon op het hoofd. En allen vereerden de zon, die in den zetel zat, en prezen God met lofgezang.

Daarop verscheen een neger, afzichtelijk van uiterlijk en met wonderlijke gebaren. Hij was blijkbaar zeer onrustig en in groote woede ontstoken. Hij riep en zeide: “O, rechter, laat de ziel aan mij over en hoor haar daden, want weinig blijft er over vans mans leven; en laat mij het lichaam pijnigen, totdat, de ziel het lichaam verlaat.”
Daarop zag ik iemand voor den zetel staan, een gewapenden ridder gelijk. Hij was hoffelijk en zeer wijs in zijn spreken, zichzelf volkomen meester en zedig in zijn gebaren, en hij sprak en zeide: “O, rechter, zie hier zijn de daden die hij deed tot aan dit oogenblik!” En dadelijk werd de stem van de zon gehoord, die in den zetelt zat, zeggende: “Hier is de ondeugd grooter dan de deugd, maar het is niet rechtvaardig, dat de ondeugd vereenigd zal worden met de hoogste deugd.”

De neger antwoordde: “Het is rechtvaardig, dat deze ziel mij toegewezen wordt, want indien zij enkele ondeugden heeft, in mij is al het kwaad.” De ridder antwoordde: “Gods barmhartigheid volgt ieder mensch tot in den dood en tot het laatste oogenblik, en dan komt het oordeel. En bij dezen man, over wien wij nu spreken, zijn ziel en lichaam nog te zamen, en bewustzijn heeft hij nog.” De neger antwoordde: “De Schrift, die niet kan liegen, zegt: Gij zult God boven alles liefhebben en uw naaste gelijk u zelf.

Zie nu, dat al zijn handelingen gedaan zijn uit vrees en niet uit liefde, waaruit hij ze gedaan moest hebben; en gij zult vinden, dat hij zijn groote zonden gebiecht heeft met onoprecht berouw, en daarvoor verdiende hij de hel, daar hij het hemelrijk niet verdiende. En dad is de aanleiding waarom zijn zonden hier geopenbaard worden voor de goddelijke gerechtigheid, omdat hij nog nooit uit godvruchtige liefde berouw gevoelde over de groote zonden, die hij begaan heeft.” De ridder antwoordde, dat hij nog geloofde en hoopte op waar berouw voor den dood.

De neger antwoordde: “Gij hebt al de goede werken, die hij gedaan heeft, verzameld en gij kent die. En gij kent alle woorden en gedachten, die hij in zijn ziel had (en kunt toonen, hoe die gewoonlijk waren) Zij kunnen niet vergeleken worden bij de genadegave, het goddelijk berouw, door goddelijke liefde, met vast geloof en trouwe hoop, en nog minder al zijn zonden uitwisschen. Want God is zoo rechtvaardig, dat een zondaar, die geen oprecht berouw heeft, het hemelrijk niet binnen treedt. En daar het onmogelijk is dat God oordeelt in strijd met de orde voor eeuwig door Hem zelf vastgesteld, moet deze ziel tot de hel veroordeeld worden.” Toen zweeg de ridder.

Daarop verschenen ontelbare duivels als vonken, die uit een brandenden oven spatten, en riepen tot hem, die als zon in den zetel zat: “Wij weten, dat gij zijt en waart en zonder einde blijft één God in drie personen en geen andere God bestaat er buiten u. Gij zijt voorwaar de liefde zelf, waarmee de barmhartigheid en de rechtvaardigheid vereenigd zijn. Gij waart in u zelf van het begin, zonder iets in u dat verminderd of veranderd kon worden, gelijk voor God noodzakelijk en betamelijk is. Zonder u is er niets, en niets verblijdt zich zonder u; zoo schiep uw liefde de engelen door niets anders dan door de macht van uw godheid, en gij deedt zooals de barmhartigheid voorschreef.

En toen ons hart van hoogmoed, afgunst en begeerte werd ontstoken, werden wij door uw liefde, die de rechtvaardigheid beminde, uit den hemel geworpen met het vuur van ons venijn en in een onmetelijke en donkere diepte, die nu de hel genoemd wordt. Zoo deed uw liefde toen, en die zal ook nu niet afwezig zijn bij uw rechtvaardig oordeel, hetzij het oordeel geschiedt volgens barmhartigheid of volgens rechtvaardigheid. Wij zeggen bovendien, dat indien zij, die gij boven alles liefhadt, de maagd, die u baarde, en die nooit zondigde, indien zij doodzonde begaan had en gestorven was zonder bovennatuurlijk berouw, gij de rechtvaardigheid zoozeer bemint, dat haar ziel het hemelrijk niet beërfd zou hebben, maar met ons in de hel zou zijn. Daarom, o rechter, waarom laat gij die ziel niet over aan ons, opdat wij haar volgens haar daden straffen kunnen?”

Daarop werd een geluid gehoord als van een lier, en allen die het hoorden, zwegen en toen sprak een stem en zeide: “O, gij, alle engelen en zielen en geesten des afgronds, hoort en luistert naar wat Gods moeder spreekt!” En nu verscheen een maagd voor den rechterstoel en hield iets groots als verborgen onder haar mantel, en zeide: “O, gij vijanden, gijlieden haat de barmhartigheid, en hebt de rechtvaardigheid niet lief. En hoewel hier gebrek schijnt aan goede werken, zoodat deze ziel het hemelrijk niet beërven moest, ziet dan toch en overtuigt u van wat ik onder mijn mantel heb!” Toen de maagd de beide slippen van den mantel had opgelicht, zag men onder de eene iets dat een kleine kerk geleek, waarin eenige grijze monniken waren. Onder de andere slip zag men vrouwen en mannen, Gods vrienden, religieuzen en anderen. En allen riepen eenstemmig: “Erbarm u, barmhartige God!”

Daarop heerschte stilte, en de maagd sprak en zeide: “Die ten volle geloof heeft, kan bergen verzetten.”
“Wat kunnen en moeten dan niet de stemmen van u allen, die geloof hadden en God dienden met gloeiende liefde? Wat moeten ook niet die vrienden Gods doen, wien hij verzocht, voor hem te bidden, dat hij van de hel bevrijd mocht blijven en het hemelrijk beërven? Hoe moeten al hun tranen en gebeden hem niet helpen en verlichten, opdat hij voor zijn dood innig berouw krijgt uit liefde? En daartoe zal ik mijn gebeden vereenigen met de gebeden van alle heiligen, die in den hemel zijn, en die hij bizonder vereerde.”

Verder zeide de maagd: “O, geesten des afgronds, ik beveel u in naam des rechters acht te geven op wat gij nu ziet in de gerechtigheid.” Zij antwoordden allen als uit één mond en zeiden: “Wij zien dat weinig water in de wereld en veel wind Gods gramschap bedaren. Zoo wordt door uw gebed ook God verzacht tot liefderijke erbarming. Daarop klonk de stem van de zon, zeggende: “Door mijn gebeden zal deze bovennatuurlijk berouw hebben voor zijn dood, zooveel dat hij niet in de hel zal komen, maar gereinigd zal worden met hen, die een harde straf in het vagevuur moeten doorstaan. En als de ziel gezuiverd is, zal zij loon in den hemel krijgen met hen, die op aarde geloof en hoop hadden, zijt ook slechts met geringe liefde.”

Daarop scheen het Gods bruid, alsof een afzichtelijke, donkere plaats zich opende, waarin het inwendige van een gloeienden oven zichtbaar was, en dat vuur had geen andere brandstof dan geesten des afgronds en levende zielen. En boven dezen oven was de ziel te zien, wier oordeel nu vernomen werd. De voeten van de ziel waren aan den oven bevestigd, en de ziel stond recht op als een mensch. Zij stond niet op de hoogste en niet op de laagste plaats, maar als op den kant van den oven. Zij zag er vreeselijk en zeer vreemd uit.

Toen klonk de stem van de ziel, die vijfmaal onder tranen en uit alle macht riep: “Wee, wee!” Eerst zeide zij: “Wee mij, dat ik God zoo weinig lief had, voor Zijn groote goedheid en de genade, die mij gegeven was.” De tweede maal: “Wee mij, dat ik Gods rechtvaardigheid niet zoozeer vreesde als ik moest.” De derde maal: “Wee mij, want ik beminde de lusten van mijn zondig vleesch en van mijn lichaam!” de vierde maal: “Wee mij, van weges werelds rijkdommen en mijn hoodmoed!” De vijfde maal: “Wee mij, dat ik ooit Lodewijk en Johanna gezien heb!”

En toen zeide de engel tot mij: “Ik zal u dit visionen uitleggen. Het paleis dat gij zaagt is het beeld van het hemelrijk. En de menigte, die op zetels zat, gekleed in witte, glinsterende kleederen, zijn de engelen en de zielen der heiligen. De zon beteekent Christus in Zijn godheid, de vrouw de maagd, die God baarde, de neger den duivel, die de ziel verried. De ridder beteekent den engel, die de goede daden van de ziel vermeldt, de oven beteekent de hel, die inwendig zoo gloeiend is, dat indien geheel de wereld brandde met alles wat er in is, het niet te vergelijken zou zijn met de vlammen en de hitte van dezen oven. In dezen oven zijn verschillende stemmen, alle hun woorden beginnend en eindigend met wee.

En de zielen verschijnen als menschen, wier ledematen als op de pijnbank uitgerekt worden en nooit rust krijgen. Gij zult ook weten, dat het vuur dat in den oven te zien is, in eeuwige duisternis brandt. En de zielen, die er in branden, hebben niet allen dezelfde kwellingen. En het duister, dat om den oven zichtbaar is, wordt Limbus genoemd en onstaat door de duisternis, die in den oven is, en zij vormen beide één gebied en één hel.

En wie er in komt zal nooit naderen tod God. Boven dit duister is de hardeste en zwaarste kewlling van het vagevuur, die de zielen verdragen kunnen. En boven deze is een andere, waar de kwelling minder is, eigenlijk niets anders dan een verzwakking der krachten, wat ik door de volgende gelijkenis duidelijk zou kunnen maken: alsof iemand ziek was en door de ziekte en pijn kracht noch macht in de ledematen had, maar die eerste langzamerhand terug kreeg. Verder is er een derde plaats waar geen andere kwelling is, dan het verlangen naar God.

En opdat gij het nog beter zoudt begrijpen, zal ik het door een gelijkenis duidelijk maken. Het is of een metaal met goud vermengd moet branden in het heetste vuur en zoo lang gezuiverd moet worden tot het metaal verteerd is en alleen het zuiver goud overblijft. En hoe krachtiger het metaal is en hoe grooter de hoeveelheid, des te heeter moet het vuur zijn, vóór het goud vloeiend wordt als water en gloeiend. Daarop brengt de meester het goud naar een andere plaats, waar het een bepaalden worm kan krijgen, die gezien en behouden kan worden.
Daarna zendt hij het naar een derde plaats, waar het bewaard kan worden en aan den eigenaar overhelaten. Geestelijk is het ook zoo. Op de eerste plaats, boven de diepe duisternis, is de zwaarste pijn van het vagevuur, waar gij zaagt hoe de ziel gereinigd werd. Daar worden de zielen door de booze geesten aangeraakt, daar verschijnen giftige wormen en afzichtelijke dieren, daar is hitte en koude en duisternis.

Daar hebben enkele zielen grootere en andere mindere pijnen, al naarmate de zonden uitgeboet waren of niet, toen de ziel nog in het lichaam was. Daarop brengt de meester, dat is Gods rechtvaardigheid, het goud, dat zijn de zielen, naar andere plaatsen, waar niets anders is dan het onvermogen harer krachten en waar de zielen moeten verblijven tot zij hulp krijgen van hun bizondere vrienden, of van de nimmer onderbroken werken der heilige Kerk. En hoe meer hulp de ziel krijgt, des te sneller herleeft zij en wordt zij gered. Daarna wordt de ziel gevoerd naar de derde plaats, waar geen pijn is, maar alleen de begeerte om in Gods nabijheid te komen en voor Zijn zalig aanschijn. Hier verblijven velen en zeer lang, uitgezonderd zij die vurig verlangen hadden, terwijl zij in de wereld leefden, om in Gods nabijheid en voor Zijn aanschijn te komen.

Gij zult ook weten, dat velen in de wereld sterven zoo rechtvaardig en onschuldig, dat zij dadelijk in Gods tegenwoordigheid en voor Gods aanschijn komen. En sommigen hebben hun zonden zoo afgeboet door goede werken, dat hun zielen geen pijnen zullen kennen. Maar de meesten bevinden zich daar, waar alleen de begeerte is om bij God te komen. En alle zielen, die in deze drie plaatsen vertoeven, hebben deel aan de gebeden der heilige Kerk en aan de goede werken, die in de wereld verricht worden, en vooral de goede werken, die zij deden, terwijl zij leefden, en die, welke hun vrienden voor hen doen na hun dood.

Gij zult ook weten dat evenals de zonden veelvuldig zijn en verschillend, ook de straffen veelvuldig en ongelijk zijn. Want evenals iemand die honger heeft zich verheugt over eten, dat naar zijn mond komt, en iemand die dorst heeft over drinken, die verdriet heeft over blijdschap en die naakt is over kleederen, en een zieke zich verheugt op rust, zoo verheugen de zielen er zich op deel te hebben aan de goede werken, die voor hen op aarde gedaan worden.”

Daarop zeide de engel: “Gezegend hij, die in de wereld de zielen helpt met gebeden en goede werken en met lichamelijke werken van barmhartigheid, want Gods rechtvaardigheid kan niet bedriegen, die zegt, dat de zielen na den dood door de pijnen van het vagevuur gereinigd moeten worden, of snel verlost door de goede werken harer vrienden.”

Toen klonken er vele stemmen uit het vagevuur, zeggende: “O! Heere Jezus Christus, rechtvaardige rechter, zend uw liefde naar hen, die geestelijke macht bezitten op aarde; dan kunnen wij nog meer dan nu deel hebben an de verdiensten van hun gezang, hun bidden en hun offers.” Boven de ruimten, waaruit dat geroep klonk, was iets te onderscheiden, wat op een huis geleek, waarin vele stemmen klonken, die zeiden: “Mogen zij loon van God ontvangen, die ons hulp zonden in onze pijnen en nood!”
En in dat huis scheen morgenrood op te stijgen, en onder het morgenrood was een wolk, die niets van het licht van het morgenrood had. En uit het morgenrood klonk een krachtige stem, die zeide: “O, Heere God, geef met Uw onmetelijke macht honderdvoudig loon aan een ieder op aarde, die ons verhief met goede werken tot het licht van Uw godheid en het aanschouwen van Uw gelaat.”