TOEN CECILIA HET KLOOSTER VERLIET.
VIERDE BOEK, KAP. 71.

Gods Zoon sprak tot zijn bruid: “Antwoord mij op vier dingen, die ik u vraag: Indien iemand zijn vriend een vruchtbare wijnrank gaf, maar die toch aan zijn huis hield, omdat de geur en het gezicht hem genoegen deed, wat zou de gever moeten antwoorden, indien hij, die den tak gekregen had, hem verzocht dien op een andere plaats te planten, waar die meer vrucht gaf?”

Zij antwoordde: “Indien de vriend verstandig was en uit liefde gaf en hem, die de wijnrank kreeg, goed wenschte, zou hij voorzeker zijn vriend met de rank laten doen wat hij wilde en hem zeggen: O, mijn vriend, hoewel ik er genot van heb dat de wijnrank bij mij is, toch, omdat hij mij geen rijke vrucht geeft, verheugt het mij, dat gij die op een vruchtbaarder plaats zet, indien gij wilt.”

Verder zeide Onze Heer: “Ten tweede, indien vader en moeder hun dochter geven aan een jongen man en de maagd hem wilde hebben, maar de jonge man op de vraag of hij de maagd wilde hebben of niet, niet antwoordde – was de maagd dan gebonden if niet?” Zij antwoordde: “Het schijnt mij, dat de maagd niet gebonden was, want de jongeling gaf zijn wil niet te kennen.”

Onze Heer zeide de derde maal: “Een geëerd jongeling, die tusschen drie jonkvrouwen te kiezen had, zeide tot haar, dat wie van de drie het woord sprak dat hem de grootste en warmste liefde geven kon, krijgen zou, wat zij het vurigst liefhad. Toen antwoordde de eerste jonkvrouw: “Zoo warm bemin ik den jongeling, dat ik liever sterven wilde dan mij bezoedelen met een ander!” De tweede zeide: “Liever wilde ik alle smart lijden dan een woord zeggen tegen zijn wil, of dat hem bedroefde!” De derde antwoordde: “Liever wilde ik alle schade lijden en bittere smart dan dat hij de minste smaad of schade lijden moest.” – “Zeg mij daarom”, zeide onze Heer, “welke van de drie den jongen man het meest liefhad, of welke van hen recht heeft op de eerste plaats in zijn liefde?” Zij antwoordde: “Mij dunkt, dat zij hem allen even zeer beminden, want zij hadden allen hetzelfde gevoel voor hem. En daarom hadden zij allen evenveel recht op zijn liefde.”

Onze Heer zeide ten vierde: “Een persoon vroeg zijn vriend om raad: Ik heb een vruchtbare tarwekorrel. Indien die in de aarde gezaaid wordt, geeft zij grooten oogst en veel vrucht. Maar daar ik zeer hongerig ben, wat dunkt u beter, dat ik haar zaai, of dat ik haar nu eet?” De vriend antwoordde: “Iets anders moet den honger stillen, het is nuttiger dat de tarwe gezaaid wordt.”

Deze vier verklaringen betreffen u. Want uw dochter, die gij mij beloofdet en gaaft, is als een wijnrank. En daar ik nu een geschikter plaats voor haar weet, wil ik haar planten, waar het mij gehaagt. En gij moet er niet bedroefd over zijn dat gij er uw toestemming voor geeft, dat zij elders geplant wordt. Gij gaaft mij uw dochter, maar ik toonde u niet, wat mij aangenamer was, haar maagdelijkheid of haar huwelijk, en evenmin of uw offer mij aangenaam was, of niet. En de dingen, die onverstandig gedaan zijn, moeten veranderd en verbeterd worden, nu gij de waarheid weet.”

Verder zeide onze Heer: Maagdelijkheid is goed en staat het hoogst en maakt gelijk aan de engelen, indien zij bewaard wordt op de juiste en zedige wijze. Maar indien een maagd slechts lichamelijk maagdelijk is en wenschen koestert met haar maagdelijkheid in strijd, dan is de maagdelijkheid misvormd, want God vindt meer behagen in een ootmoedig gehuwde vrouw dan in een hoorvaardige en schaamtelooze maagd. En een welvoegelijke, getrouwde vrouw, die in godvrucht leeft overeenkomstig haar staat, kan een groot loon verkrijgen. Want het is groot om in het vuur der reinheid te zijn zonder onreine begeerten, maar het is even groot om niet in het vuur der reinheid te zijn maar er zich in te wenschen en van grootere liefde voor God te branden buiten het vuur, dan iemand die er in is.

Ik wil u drie voorbeelden geven, namelijk, Suzanna, Judith en Thecla de maagd. De eerste was getrouwd, de tweede weduwe, de derde maagd. Dezen hadden allen een verschillende levenswijze en beoogden allen een ander doel, en toch hebben zij allen gelijke verdiensten en eenzelfde loon voor haar werk. Toen Suzanna onrechtvaardig aangeklaagd werd door de priesters, verkoos zij den dood boven de zonde. En daar zij mij als overal tegenwoordig zijnde vreesde, was zij waardig gered en geëerd te worden. Judith zag de misbruiken en het ongeluk van haar volk en was zoo bedroefd, dat zij zich niet alleen blootstelde aan spot en smaad uit liefde voor God, maar zij was ook gereed om pijnen te lijden ter wille van mij.

En Thecla, die maagd was, wilde liever bittere pijn lijden dan een woord spreken dat tegen mij getuigde. Hoewel deze drie niet hetzelfde verrichtten, is hun verdienste toch gelijk; daarom kunnen beiden, maagd en weduwe, mij evenzeer behagen indien een goede levenswijze gepaard gaat met een uitsluitend verlangen naar mij.”

Verder zeide onze Heer: “Het is mij even lief of uw dochter maagd verkiest te blijven of in het huwelijk treedt, indien zij zich schikt en richt naar mijn wil. Want wat zou het haar helpen of zij lichamelijk opgesloten was, indien haar begeerte toch naar buiten uitgaat? Of, wat is eervoller voor haar: eenzaam te leven ten voordeele van zichzelf, of anderen te helpen? En ik, die alles weet en voorzie, ik doe niets zonder reden. Daarom zal zij niet tot een bepaald doel komen door de eerste vrucht, want die is van vrees, en niet door de tweede, want die is van traagheid, maar door de middelste, want die heeft de vrucht der redelijke liefde en zedigheid. Maar die haar tot vrouw neemt, moet drie dingen hebben, namelijk een huis en kleederen en de middelen om haar te verzorgen.