UIT KAPITTEL 14.
VRAAG 16, LAT. TEKST.

En op hetzelfde oogenblik zeide de rechter tot den monnik, die de vraag deed: “O! Mijn vriend, gij deedt mij vaak scherpzinnige vragen. Nu vraag ik u, waarom uw ziel, die begrijpt wat goed en slecht is, wereldsche dingen meer liefheeft dan het hemelrijk, en waarom gij niet leeft zooals uw verstand u ingeeft te leven.” De monnik antwoordde: “Omdat ik handel tegen beter weten in en mijn zinnen het verstand laat overheerschen.” De rechter antwoordde: “Daarom zal uw geweten uw rechter zijn!”

Daarop zeide Christus tot de bruid: “Zie, hoe niet alleen de boosheid des duivels, maar ook het bewustzijn van het kwaad den mensch beheerscht, en dat komt, omdat de mensch de verleiding niet weerstaat, zooals hij moest. Maar zoo deed de magister dien gij kent niet, toen de geest neerdaalde en hem zoo sterk verleidde, alsof alle ketters voor hem stonden en uit één mond spraken: “Wij zijn de waarheid.” Maar hij geloofde niet wat hij zag en hoorde, of had een ongehoord zelfvertrouwen; daarom werd hij gered en werd door kennis verlicht van het begin zelfs tot alfa en omega, zooals hem beloofd was.

En nu, mijn vriend, zal ik een einde maken zoowel aan u, als aan het beantwoorden van uwe gedachten, en gij zult uw leven eindigen. Nu zult gij ondervinden, hoe nuttig u uw welsprekendheid en de gunst der menschen is. O, hoe gelukkig zoudt gij geweest zijn, indien gij uw belofte gehouden hadt en de orderegels gevolgd en gehoorzaamd hadt.” Daarop zeide Gods geest tot de bruid: “O, mijn dochter, de man, dien gij meent dat deze dingen gevraagd heeft, leeft nog op aarde, maar dit zal zijn laatste dag zijn. Zijn verborgen gedachten zijn u getoond in beelden, niet tot groote schande en spot van hemzelf, maar tot redding van andere zielen. En nu zal er een einde komen aan zijn hoop en zijn leven en daarme aan zijn gedachten en begeerten.”