KAP. 6, ZWEEDSCHE TEKST.
VRAAG 8, LAT. TEKST.

De monnik verscheen als vroeger, zeggende: ďO! Rechter waarom veroorlooft gij, dat afgoden in den tempel geplaast worden en geŽerd als gij zelf, daar uw rijk in eeuwigheid is boven al het andere?
Waarom vertoont gij den mensch uw heerlijkheid niet hier in het leven, opdat hij er des te inniger en met des te meer liefde naar verlangt?
Waarom vertoonen de engelen en Heiligen zich hier op aarde niet, daar hun heerlijkheid en heiligheid grooter is dan die van al het andere?
En daar de kwellingen der hel alles in vreeselijkheid overtreffen, waarom laat gij die den menschen hier in dit leven niet zien, opdat zij ze ontvluchten? En daar de duivels afschuwelijker en verfoeilijker zijn dan al wat denkbaar is, waarom verschijnen zij dan niet aan de menschen, opdat niemand hen volgen en gehoorzamen zou?Ē

De rechter antwoordde: ďO! Mijn vriend, ik ben God, de Schepper aller dingen. Ik doe boozen niet meer onrecht dan goeden, want ik ben de rechtvaardigheid zelf. Volgens mijn rechtvaardigheid wordt het hemelrijk verkregen door vast geloof, door verstandige hoop en door gloeiende liefde. Want men denkt meer aan dat wat het hart het innigst liefheeft, en dat wordt ook met meer aandacht geŽerd en vereerd. Er worden afgoden in den tempel geplast, al zijn die geen goden, en al hebben die niets geschapen, want er is geen andere Schepper dan ik, een God, Vader en Zoon en de Heilige geest. Toch worden die afgoden door velen meer bemind, opdat voorspoed het deel der menschen worde, dan ik bemind wordt, opdat zij door mij zalig worden mogen.

Indien ik nu de dingen verwoestte, die de menschen meer beminnen dan mij en liet ik hen mij vereeren tegen hun wil dan deed ik hun onrecht, doordat ik hun den vrijen wil ontnam en dat wat zij begeeren. Want, omdat zij niet in mij gelooven, en in hun hart iets anders hun begeerlijker is dan ik het ben, laat ik hen door daden toonen wat zij inwendig liefhebben en begeeren. En omdat zij de geschapen dingen meer liefhebben dan mij, den Schepper, die zich openbaart door daden en teekens, wat de menschen zien indien zij hun verstand gebruiken, daarom zijn zij blind en hun afgoden vervloekt, en daarom moesten die verwoest worden en de menschen vervloekt voor hun dwaasheid, omdat zij niet willen begrijpen hoe heerlijk ik, God, ben, die den mensch schiep en hem verloste door mijn liefde.

Maar waarom mijn heerlijkheid niet gezien wordt, daarop antwoord ik: Mijn heerlijkheid is onmetelijk en overtreft alles in schoonheid en goedheid. Indien mijn heerlijkheid zichtbaar was in al haar grootheid, zou het vergankelijk lichaam van den mensch zwak worden en ziek en ongeschikt voor lichamelijken arbeid ten gevolge van de blijdschap der ziel. Opdat het geloof beloond zal worden en het lichaam geschikt zal zijn voor de werken van liefde, zonder welke niemand het hemelrijk binnentreedt, wordt mijn heerlijkheid eenigen tijd verborgen, om door verlangen en geloof eeuwig des te zaliger te schijnen.

En waarom de Heiligen niet te zien zijn in hun ware gestalte daarop antwoord ik: Indien de Heiligen zich in het openbaar vertoonden en zich in hun glorie met de menschen onderhielden, zouden zij geŽerd worden zooals ik zelf, en werd het geloof niet beloond. En het zwakke lichaam zou het gezicht der Heiligen niet kunnen verdragen. En mijn rechtvaardigheid gedoogt niet, dat zulk een groote glans gezien wordt door zulk een groote gebrekkelijkheid. Daarom worden mijn Heiligen gehoord, noch gezien in hun ware gestalte, opdat mij alle glorie gegeven zal worden en opdat de mensch wete, dat hij niemand mag liefhebben boven mij. Indien mijne Heiligen toch af en toe zichtbaar zijn, dan zijn zij dit toch niet in al hun glorie, maar in de gedaante, waarin zij zonder gevaar kunnen en mogen gezien worden.

En waarom de straffen van de hel niet zichtbaar zijn, daarop antwoord ik: Indien de kwellingen der hel te zien waren, dan verstijfde de mensch van schrik, en zocht hij het hemelrijk uit vrees en niet uit liefde. En opdat men streve naar de vreugde van het hemelrijk, niet alleen uit vrees voor de kwellingen van de hel, maar ook uit liefde tot God, worden de kwellingen van de hel den mensch verborgen. En evenals goede menschen en Heiligen de onmetelijke vreugde van het hemelrijk niet leeren kennen, voor de ziel van het lichaam scheidt, evenmin kennen de slechte menschen de pijnen der hel, voor de ziel van het lichaam gescheiden is, maar dan zullen zij die ondervinden in een omvang, waarvan zij zich te voren geen denkbeeld konden vormen.

En waarom de duivels niet zichtbaar zijn, daar antwoord ik op: Indien de duivels te zien waren even afschuwelijk en verschrikkelijk als zij zijn, dan verloren zij, die hen zagen, hun verstand en zou hun hart verstijven en heel het lichaam beven. Opdat de mensch geheel bij zijn zinnen zijn zal en het hart geheel toegankelijk voor liefde voor mij en het lichaam geschikt voor arbeid en mijn dienst, wordt de boosheid der duivels verborgen en ziet niemand hoe afschuwelijk zij zijn.