ZUSTER RAMBORGS MOEDER.
ZESDE BOEK, KAP. 102.

Een vrouw uit Zweden lag lang ziek te Rome en zeide eens lachend en bij wijze van scherts in het nabijzijn van Birgitta: “Er wordt gezegd dat er in deze stad aflaten zijn voor zonden en pijnen. Hoewel voor God niets onmogelijk is, voel ik en lijd ik pijn en kwelling.” Den volgenden morgen hoorde Gods bruid een stem in den geest, die tot haar zeide: “O, dochter, deze vrouw behaagt mij, want zij leefde zelf goed en voedde haar dochter op tot mijn glorie en tot mijn dienst.

Toch heeft zij in haar pijnen nog geen berouw gehad even groot als haar lust om te zondigen zou geweest zijn, ware zij niet door mijn liefde teruggehouden. Want, omdat ik een ieder gezondheid en ziekte zend, volgens wat ik zie dat een ieder behoeft, wensch ik door niemand zelfs niet door het geringste woord vertoornd noch veroordeeld te worden, maar overal gevreesd en geëerd. Zeg haar ook dat de aflaten der Kerken te Rome hooger bij God staan aangeschreven, dan men zegt.

Want zij die zich van deze aflaten bedienen met een innig geloovig hart, zullen niet alleen vergiffenis hunner zonden verkrijgen, maar ook eeuwig Gods glorie genieten. Want al stierf de mensch ook duizend malen ter wille van God, toch is hij niet de glorie waardig, die de Heiligen genieten. En hoewel de mensch zoovele duizenden jaren niet leven kan, en toch eindeloos lijden uitgestaan moet worden voor de ontelbare zonden, die hij in dit leven niet kan uitboeten, worden vele zonden uitgeboet door aflaten, en wordt de zwaarste en langste straf veranderd in de geringste.

En hun, die den aflaat verkregen en de wereld verlieten met volmaakte liefde en volmaakt berouw, worden niet alleen de zonden kwijtgescholden maar ook de straf. Want ik, God, zal mijn uitverkorenen geven niet alleen om wat zij bidden, maar ik zal het drievoudig en honderdvoudig doen uit liefde. Vermaan daarom deze zieke vrouw tot geduld en standvastigheid, want ik zal doen met haar, wat het nuttigst is voor haar zaligheid.

VERKLARING.
De Heilige Birgitta zag de ziel van deze vrouw opstijgen als een vlam, door vele negers gevolgd. En toen de ziel de negers zag, werd zij bevreesd en beefde. En oogenblikkelijk kwam de schoonste maagd haar te hulp. En de maagd zeide tot de negers: “Wat wilt gij met deze ziel? Zij behoort tot het personeel van mijn Zoons nieuwe bruid.” En dadelijk vluchtten de duivels en volgden haar slechts op grooten afstand.

Toen de ziel voor het oordeel kwam, zeide de rechter: “Wie is verantwoordelijk voor deze ziel, of wie is haar hulp?” En dadelijk verscheen de H. Jacobus en zeide: “O! Heer, ik ben verantwoordelijk voor haar, want zij kwam tweemaal naar mijn stad, met groote moeite. O! Heer, erbarm U over haar, want zij wilde, maar kon niet.” De rechter zeide: “Wat was het dat zij wilde, maar niet kon?” Jacobus zeide: “Zij wilde U dienen met heel haar hart, maar zij kon niet, want zij werd door ziekte verhinderd.”

Toen zeide de rechter tot de ziel: “Ga, want uw geloof en uw wil zullen u redden.” En dadelijk verdween de ziel uit het aanschijn des rechters, vol vreugde en stralende als een ster. En allen die in de nabijheid stonden, zeiden: “Gezegend, zijt Gij, God, die is en was en zijn zal, want Gij onthoudt Uw barmhartigheid niet aan hen, die op u hopen.”