BIJ HET GRAF VAN SINT-NICOLAUS TE BARI.
ZESDE BOEK, KAP. 103.

Toen de bruid van Christus de relikwieŽn van St. Nicolaus te Bari bezocht, begon zij bij zijn graf te denken aan de olie, die uit zijn lichaam vloeit, en toen zag zij in een geestelijk visioen iemand met olie besmeerd, die een heerlijken geur verspreidde en tot haar zeide: ďIk ben bisschop Nicolaus, die zich voor u vertoont in de gedaante, die mijn ziel had, toen ik leefde. Want al mijn ledematen waren even geschikt en lenig om God te dienen als een met vet ingesmeerd instrument geschickt is voor het werk.

En daarom was mijn ziel altijd verheugd en sprak mijn mond woorden tot glorie van God, en was ik geduldig. Boven alle deugden had ik vooral de kuischheid en den ootmoed lief. Maar omdat de beenderen van de meeste menschen droog zijn en geen goddelijk vocht inhouden, klinken zij hol en rinkelen als zij tegen elkaar aan slaan en zijn ongeschikt om de rechtvaardigheid te dienen en afschuwelijk voor God om aan te zien. Maar gij zult weten, dat evenals de roos geur geeft en de druif zoet is, God mijn lichaam de bizondere genadegave gaf, dat er olie zou uitvloeien. Want, Hij eert niet alleen Zijn uitverkorenen in den hemel, maar Hij verheugt en verheft hen ook op aarde, opdat velen deel zullen hebben aan de genade, die hun gegeven is.