DE GOEDE WIL IS VOLDOENDE.
ZESDE BOEK, KAP. 111.

Een man uit het bisdom Ĺbo kwam naar Rome en kende de Zweedsche taal niet. Daar niemand zijn taal in Rome verstond, kreeg hij geen biechtvader. Toen vroeg hij Sancta Birgitta wat hij doen zou, en Christus zeide tot haar: “Deze man beklaagt het dat hij geen biechtvader krijgen kan. Zeg hem, dat zijn wil voldoende is. Want wat strekte den roover aan het kruis tot voordeel en wat hielp hem anders dan zijn goede wil? En wat opent den hemel anders dan een goede wil om het goede te doen en het slechte te haten?

Of wat leidt naar de hel zoo niet een slechte wil en slechte voornemens? Was Lucifer niet goed geschapen of schiep ik, de goedheid en de deugd, iets wat slecht is? Volstrekt niet, maar toen Lucifer zijn wil misbruikte en dien bedierf, werd hij slecht door een slechten wil. Daarom sta deze man stil en trede niet terug. En als hij in zijn vaderland komt, dan moet hij wijze mannen ondervragen om van hen te hooren wat hij doen moet tot redding van zijn ziel en dan moet hij zich onderwerpen aan hun wil en liever den raad van een rechtvaardigen man gehoorzamen dan zijn eigen wil volgen. Maar sterft hij onderweg van hier, dan zal hem geschieden, wat ik tot den roover zeide: “Gij zult met mij in het paradijs zijn.”