AAN BIRGITTAS DOCHTER CATHARINA, DIE VAN ROME NAAR ZWEDEN ZOU TERUGKEEREN.
ZESDE BOEK, KAP. 118.

Jezus Christus, Gods Zoon, zegt: “Raad deze vrouw, dat zij eenigen tijd bij u blijft, want het is nuttiger voor haar ziel te blijven dan naar huis te gaan. Want ik zal met haar doen, zooals een vader doet met een dochter, die door twee mannen bemind wordt, welke haar beiden wenschen te huwen, maar waarvan de eene arm is en de andere rijk, en die beiden door de maagd bemind worden. Als de wijze vader de liefde van de maagd ziet voor den armen man, geeft hij den armen man kleederen en andere goede gaven, maar den rijken man geeft hij zijn dochter.

Zoo wil ook ik doen. Want deze bemint zoowel mij als haar echtgenoot. En daar ik de rijkste ben, Heer aller dingen, zal ik hem mijn gaven geven, die nuttiger zijn voor zijn ziel, wijl het mij behaagt hem spoedig tot mij te roepen. En de ziekte, die hem plaagt, is een teeken dat hij sterven zal. En betamelijk is het, dat hij die nu voor den Almachtige verschijnen zal, gereed is om rekenschap af te leggen en van aardsche banden bevrijd is. Maar haar wil ik leiden en naar haar huis terug brengen. En ik zal haar besturen en bewaren, totdat zij geschickt is voor de taak, voor welke ik haar bestemd heb en welke het mij behaagt haar te toonen.”

Nadat eenigen tijd verloppen was, gedurende welken de vrome Catharina uit eigen verkiezing bij haar moeder te Rome bleef, begon het ongewone leven haar moeilijk te vallen, en toen zij zich haar vroegere vrijheid herinnerde, smeekte zij haar moeder vol angst naar Zweden terug te mogen keeren. Toen haar moeder naar aanleiding van deze verleiding in gebed verzonken was, vertoonde Christus zich aan haar en zeide: “Zeg deze maagd, uw dochter, dat zij weduwe geworden is. En ik raad haar aan om bij u te blijven, omdat ik zelf voor haar zorgen wil.”