WEE OVER DEN ROOVER!
ZESDE BOEK, KAP. 25.

Gods Zoon sprak drie jaar later tot Zijn Bruid: “Vroeger heb ik U een schon lied over den roover laten hooren en de schoonste gave en het schoonste geneesmiddel heb ik U getoond. Maar nu zing ik hem geen lied van redding en zaligheid, maar een lied van jammer en wee. Want indien hij zich niet spoedig bekeert, zal hij mijn vreeselijke rechtvaardigheid leeren kennen, want zijn dagen zullen verkort worden en zijn nakomelingen zullen onvruchtbaar zijn. De goederen en rijkdommen die hij verzameld heeft zullen hem ontnomen worden en hij zal veroordeeld worden als de boosaardigste roover en de ongehoorzaamste zoon die de vermaning zijns vaders in den wind slaat. En dit gebeurde, want hij wilde zich niet beteren.