BIRGITTA MOET BEDELEN OM HAAR BROOD.
ZESDE BOEK, KAP. 46.

De bruid sprak tot de Heilige Maagd en zeide: “O, Heere God, hoe zoet is Hij! Niemand die Hem meer lief heeft dan al wat is, heeft ooit verdriet dat niet tevens met eenige vreugde vermengd is. Daarom,o! Allerzoetste Moeder, bid ik U mijn hart te onttrekken aan de liefde voor alle wereldsche zaken, opdat Uw Zoon mij het zoetst en liefst van alles wordt tot aan mijn dood.”

De Heilige Maagd antwoordde: “Daar dit Uw innige wensch is, bemin en bewaar dan de woorden, die Hij zelf in de Schrift gesproken heeft, want die leiden naar Hem en brengen liefde voort alleen voor Hem. En daarom zal ik u zes woorden uit de Schrift in herinnering brengen: het eerste, dat hij zeide tot den rijken man: “Ga henen, verkoop wat gij hebt en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, volg mij.” Het tweede: “Zijt dan niet bezorgd tegen den morgen.” Het derde: “Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren, en uw hemelsche vader voedt ze toch; zijt gijlieden niet veel beter dan zij?” Het vierde: Geeft dan aan den keizer wat den keizer toekomt en aan God wat God toekomt.” Het vijfde: “Zoekt dan eerst het rijk Gods.” Het zesde is: “Komt tot mij allen die vermoeid en beladen zijt, en ik zal u verkwikken.”

Iemand, die niets meer wensch dan wat noodig is voor het onderhoud van het lichaam, is als iemand die alles verkoopt. Wanneer hij ten minste al het andere aan de armen geeft, niet tot lof van de wereld, maar ter eere van God, opdat hij Gods vriendschap verkrijge, zooals geschiedde met den goeden Gregorius en vele andere koningen en vorsten, die God boven alles beminden. En dit niettegenstaande zij rijkdommen hadden om onder zichzelf en anderen te verdeelen, evenals Hij hen beminde, die van alles op eenmaal afscheid namen ter wille van God en daarna zelf van anderen moesten annemen.

Want de eersten hadden wereldsche rijkdommen alleen ter eere van God en zouden ze gaarne hebben opgegeven, indien het Gods wil geweest was. Maar de laatsten werden en bleven met opzet arm, alleen ter eere van God. Want het is een ieder, die bezittingen heeft of inkomsten van rechtvaardig verkregen goed, vergund de opbrengst van zijn goed te aanvaarden voor zijn eigen onderhoud en voor dat van zijn dienstvolk ter eere van God, en wat over is zal hij Gods vrienden geven. Verder, heb geen zorg voor het onderhoud van morgen, want zelfs al hadt gij niet meer dan het naakte lichaam, hoop op God, en Hij, die de vogels voedt en in het leven houdt zal ook u, die Hij verloste met Zijn bloed, in het leven houden.”

Ik antwoordde: “O, dierbaarste Vrouwe, gij die schoon zijt en rijk en deugdzaam, schoon omdat gij nooit zondigde, rijk omdat gij Gods dierbaarste vriend zijt, deugdzaam omdat gij het volmaaktst zijt in het uitoefenen van goede werken, o mijn Vrouwe, hoor mij die vol zonden is en arm in deugden: Heden hebben wij voedsel en wat verder behoeven, maar morgen lijden wij gebrek en ontbreekt ons alles. Hoe kunnen wij zonder zorg zijn, als wij niets hebben? Want hoewel de ziel zich verheugt in God, begeert de ezel, die het lichaam is, zijn voedsel en nooddruft.”

De maagd antwoordde: “Indien gij overvloedige dingen hebt, die gij ontberen kunt, verkoop of beleen ze en leef dan zonder bekommering.” Ik antwoordde: “Wij dragen dag en nacht dezelfde versleten kleederen; wij hebben schalen voor de tafel en de priester heeft zijn boeken, en wij hebben kelken en miskleederen.” De maagd antwoordde: “De priester zal niet zonder boeken en niet zonder Mis zijn, en de Mis zal alleen in reinen tooi worden opgedragen; en uw lichaam zal niet naakt zijn maar gekleed, tegen de vorst en uit betamelijkheid. Daarom hebt gij die dingen noodig.” Ik antwoordde: “Zal ik dan geld leenen met de belofte het op bepaalden tijd terug te geven?” De maagd antwoordde: “Als gij zeker zijt het op bepaalden tijd terug te kunnen betalen, moogt gij het doen, anders is het beter, dat gij het niet doet, want het is beter een dag zonder eten te zijn, dan een belofte niet te houden.”

Ik antwoordde: “Zal ik dan werken om voedsel te verschaffen?” De maagd antwoordde: “Wat doet gij nu dagelijks?” Ik antwoordde: “Ik leer latijn, en ik lees en ik schrijf.” De maagd zeide: “Gij moogt dat niet opgeven voor lichamelijk werk!” Ik zeide: “Wat zullen wij dan morgen voor voedsel hebben?” De moeder antwoordde: “Bedelt in naam van Jezus, indien ulieden niets anders overblijft.”