BIRGITTAS ZWAKHEID TEGENOVER HAAR ONDERHOORIGEN.
ZESDE BOEK, KAP. 76.

Toen de H. Birgitta eens in een stad haar intrek had genomen, gebeurde het dat haar kleederen en die van haar bedienden, en andere zaken verbrandden. Daarna, toen zij in gebeden verzonken was, zeide Christus tot haar: “Er staat geschreven, dat de overste der trawanten den tempel van Jerusalem in brand stak. Wie is deze overste anders dan hij, die meer de zoetheid des vleesches zoekt dan de bitterheid mijns lijdens.

Zoo zoekt gij bij uw bedienden fraai gezichten en fraaie kleederen en verwijt hun hunne slechte gewoonten niet en straft hunne zonden niet, opdat gij hun niet moeilijk of hard schijne. En daarom gebeurde het onheil, wat gij nu ziet, opdat gij begrijpen zult, dat het niet genoeg is zichzelf tot aan de volmaaktheid te verbeteren, maar dat men ook anderen, in het bizonder zijn bedienden, zal aanmanen tot dergelijke dingen en tot een zedige levenswijze. Want wat gij nalaat te verbeteren en te straffen, alleen uit wereldsche welwillendheid, zal u aangerekend worden als schuld en zonde.

En nu zult gij weten dat de inwoner van dit huis schuldig is aan twee slechte dingen: ten eerste maakt hij zich schuldig aan ongeloof, omdat hij gelooft dat alles bestuurd wordt door het lot en het toeval; ten tweede maakt hij zich schuldig aan tooverij en gebruikt hij woorden en kunsten die des duivels zijn, opdat hij veel visschen uit de zee zou vangen. En omdat hij tot uw dienstvolk behoort, moet gij hem berispen, opdat hij zich betere. Anders zult gij met uwe eigen oogen zien, dat de duivel, dien hij dient, macht over hem krijgt.” Hij hoorde hoe Gods bruid hem vermaande, maar sloeg haar woorden in den wind en werd plotseling met het hoofd achterover dood in zijn bed gevonden.