BIRGITTA OVERNACHT OP EEN SCHIP.
ZESDE BOEK, KAP. 84.

Toen de bruid van Christus in wintertijd naar een eiland zeilde, waar al de bewoners reeds sliepen, wilde zij niemand lastig vallen en bleef daarom tot den morgenstond op het schip. Terwijl al haar dienstvolk hevig rilde van koude, had Birgitta het z warm, dat allen, die haar aanraakten en zagen, er verbaasd over waren.

Toen zij tegen den morgen in gebed verzonken was, zeide Christus tot haar: O, hoezeer zijn de menschen mistrouwig te mijnen opzichte: zij overladen zich met kleederen, zooals de egel zich met vruchten; en zooals de pauw op zijn vederen, zoo zijn zij trotsch op hunne schoone kleederen. Toch kunnen zij niet warm en niet schoon worden zonder mij. Als zij hun hoop op mij vestigden, zou ik hun warmte geven aan lichaam zoowel als aan ziel en ik zou hen schoon doen schijnen in de oogen mijner Heiligen. Maar nu zijn zij leelijk en ontevreden, want zij laten zich niet vergenoegen en hebben de geschapen vergankelijke dingen meer lief dan den Schepper.