GOD STRAFT EEN MONNIK, DIE AAN BIRGITTA TWIJFELDE.
ZESDE BOEK, KAP. 90.

Toen Meester Mattias over de genade sprak, die Gods bruid gegeven was, antwoordde een zeer geleerde kloosterling, dat het niet te gelooven was en niet in overeenstemming met de Schrift, dat God kloosterlingen verliet, die zich de wereld ontzegden, en Zijn geheimen openbaarde aan hooggeboren vrouwen. En hoewel de Meester het bewees op vele wijzen, wilde de monnik het toch niet gelooven.

Toen Gods bruid dit gehoord had en den Meester bedroefd had gezien, verzonk zij in gebed en hoorde een stem in Gods geest, die zeide: “De ziekte van vele menschen is zoo gevaarlijk, dat zij ziek worden van het geneesmiddel zelf, en daarom moet het geneesmiddel hun niet gegeven worden, opdat zij niet heviger en zwaarder ziek zouden worden. Ik ben het geneesmiddel voor zieke menschen en de waarheid voor de verdwaalden. Maar deze zonderlinge monnik begeert geen geneesmiddel, want zijn hart heeft behoefte aan ijdele wijsheid. Daarom zal ik hem met mijn hand een kaakslag geven, zoodat het door allen gehoord zal worden, dat ik God ben, niet met veel lawaai noch met veel woorden, maar zeer ernstig en vreeselijk.” Deze kloosterling verootmoedigde zich daarna vol droefheid en stierf aan koorst, al zijn ledematen verlamd.