DE DIERENTUIN.
ZEVENDE BOEK, KAP. 17.

Bij dezelfde gelegenheid sprak Christus tot Zijn bruid en zeide: “Naar deze dingen, die gij nu zaagt, en andere dergelijke, die ik leed, vragen de vorsten der wereld niet, evenmin bekommeren zij zich om de plaatsen, waar ik geboren ben en leed. Want zij zijn gelijk de man, die een dierentuin heeft, waarin hij zijn honden loslaat en zich vermaakt over de dieren, die hij ziet en hoort loopen en springen. Op dezelfde wijze beschouwen de vorsten der wereld en de vorsten der Kerk en menschen van andere standen liever en met grooter genoegen de heerlijkheden der wereld dan mijn dood, mijn lijden en mijn wonden. Daarom zal ik hun door u mijn woorden zenden en indien zij hun hart niet veranderen en zich niet naar mij toe keeren, zullen zij vervloekt worden met hen, die mijn kleederen onder zich verdeelden en het lot wierpen over mijnen lijfrok.”

TE FAMAGUSTA, HOOFDSTAD VAN HET EILAND CYPRUS.
BIJVOEGSEL DER VOORGAANDE OPENBARING.
De volgende Openbaring kreeg de heilig Birgitta te Famagusta: Gods zoon spreekt: “Deze stad is een Gomorra, waar het vuur der losbandigheid, des overvloeds en der begeerlijkheid gloeit, daarom zullen haar muren ineen vallen, en zal de stad verwoest worden en haar inwoners zullen het land verlaten en zij zullen zuchten van verdriet en kwelling en in getal verminderen en hun lot zal in vele landen besproken worden, want ik ben vertoornd op hen.”

Van den hertog, die op de hoogte was van den moord op zijn broeder, zegt Christus: “Deze toont stoutmoedig zijn overmoed, pocht op zijn onmatigheid en bekommert zich niet over zijn plichten tegenover zijn naaste. Daarom, als hij zich niet verootmoedigt, zal het woord in vervulling komen dat zegt: “Beter te vroeg beklaagd dan te laat betreurt.” Want zijn dood zal niet lichter zijn dan die van zijn broeder, maar integendeel zwaarder, indien hij zich niet spoedig betert.”

Van den biechtvader van den hertog zegt Christus: “Wat zeide u die broeder? Waarschijnlijk dat de hertog goed is en niet beter leven kan, hij vergaf hem zeker zijn onmatigheid. Dat zijn geen biechtvaders maar bedriegers, die als onschuldige lammeren rondloopen, maar in werkelijkheid vossen zijn en vleiers. Zoo zijn de vrienden, die rekening houden met wereldsche beginselen en den menschen raden volgens die te leven. Indien de broeder bij de ontmoeting gezeten had, had hij minder gezondigd en minder straf gekregen en grootere kroon.”

Enkelen rieden vrouwe Birgitta van kleederen te veranderen en het gelaat zwart te maken voor de Saraceners. Christus spreekt: “Wat ried men u? Van kleederen te veranderen en het gelaat zwart te maken? Zou ik, God, die uw voorzienigheid is, zijn gelijk hij, die de toekomst niet kent, of als de onmachtige die alles vreest? Volstrekt niet. Want ik ben de wijsheid en de kracht zelf, en evenals ik te voren alles weet, ben ik ook tot alles in staat. Daarom, behoud uw gewone kleederdracht, verander uw gelaat niet en laat geheel uw wil over aan mij. Want ik, die Sara redde uit de handen van hen die haar vangen wilden, zal ook mijn voorzienigheid uitstrekken over u, op de wijze die u het nuttigst is.”

Van bisschop Alfonsus. De moeder spreekt: “Mijn vriend moet u liefhebben als moeder, als heerscheres, als dochter en als zuster: als moeder van wege uw ouderdom en den raad, die bij u gezocht moet worden. Als heerscheres van wege de genade, die u door God gegeven is, die door u de geheimen van Zijn wijsheid geopenbaard heeft. Ten derde als dochter door haar te onderwijzen en te troosten en te zorgen voor wat haar het nuttigst is. Ten vierde als zuster door haar te straffen als de gelegenheid er zich voor leent, haar te vermanen en haar door woord en voorbeeld tot beter aan te sporen.

Zeg hem ook, dat hij zijn moet als hij, die de beste bloemen draagt. Door de bloemen versta ik mijn woordan, die zoeter zijn dan honig voor hen, die ze proeven, scherper dan de scherpste pijlen en waardevoller dan iedere belooning. Daarom past het hem die de bloemen draagt ze te vrijwaren voor wind, regen en hitte. Door wind versta ik ijdel gepraat, door regen, lichamelijke genoegens; door hitte wereldsche gunst. Want hij, die zich op een dezer drie dingen beroemt, laat de bloemen verleppen en toont dat hij niet geschikt is om ze te dragen.”

Van de koningin van Cyprus zegt de Zoon: “Raad de Koningin, niet naar haar vaderland terug te keeren, omdat het niet geschikt is, maar laat zij blijven waar zij is, en God dienen met geheel haar hart. Ten tweede raad haar niet te trouwen en geen tweeden man te nemen, omdat het Gode behagelijker is dat zij beweent wat misdaan is en met zoenoffers den tijd, dien zij nutteloos verspilde, vergoedt. Ten derde raad haar de inwoners van het rijk te vermanen tot onderlinge eendracht en liefde, en er zich op toe te leggen dat goede zeden bewaard blijven en er rechtvaardigheid heerscht en de maatschappij niet te bezwaren door ongewone belastingen. Ten vierde om Gods wil het slechte te vergeten, dat tegenover haar man begaan is en zich niet tot wraak te laten aanzetten, daar ik de rechter ben die voor haar oordeelen zal.

Ten vijfde haar zoon op te voeden met goddelijke liefde en rechtvaardige raadgevers voor hem uit de kiezen, geen begeerige, en ook flinke, bedachtzame en wijze dienaars, van wie hij leeren kan God te vreezen, rechtvaardig te regeeren, zich over de ellendigen te erbarmen, de oogendienaars en vleiers als gif te vlieden, bij de rechtvaardigen raad te zoeken en zelfs bij de onopgemerkten, bij armen en ootmoedigen. Ten zesde de onzedelijke gewoonte der vrouwen af te schaffen om nauwsluitende kleederen te dragen en de borst te ontblooten en het gebruik van zalven en andere ijdelheden, die Gode zeer onbehagelijk zijn.

Ten zevende een biechtvader te kiezen, die de wereld en haar ijdelheid verlaten heeft, die de zielen meer liefheeft dan het loon dat hem aangeboden wordt; die de gebeden niet verbergt en niet vreest om verwijten te doen. Zeg haar ook hem in zaken die het welzijn der ziel betreffen, te gehoorzamen als God zelf. Ten achtste zich het leven heilige vorstinnen en vrouwen voor oogen te houden en zich te beijveren om Gods glorie te verheffen. Ten negende verstandig te wezen met haar gaven, en schulden en roem te vermijden, daar het Gode behagelijker is dat men weinig of niets geeft dan zich schulden op den hals te halen en zijn naaste te bedriegen.”

Van de kroning van den nieuwen koning zegt Gods Zoon: “Een groote last is het om koning te zijn, maar tevens een groote eer die van groote beteekenis is. Daarom moet de koning er rijp voor zijn, ervaren, wijs, rechtvaardig en werkzaam en hij moet het welzijn van zijn naaste meer lief hebben dan zijn eigen wil. Daarom werden de rijken vroeger goed bestuurd, indien zulk een koning gekozen werd, die rechtvaardig wilde en kon regeeren en het verstond.

Maar nu is het bestuur geen bestuur meer; het gelijkt meer op kinderspel en dwaasheid en rooverij, want evenals de roover gelegenheid zoekt om zijn plan te volvoeren, opdat hij aan het werk kan gaan zonder ontdekt te worden, vinden nu de vorsten listen uit waardoor hun nakomelingen verheven kunnen worden, waardoor zij geld kunnen verdienen en listig hun onderdanen bezwaren; en gaarne oefenen zij rechtvaardigheid uit indien zij er voordeelen uit kunnen trekken, maar zij hebben de rechtvaardigheid niet lief, terwille van het eeuwig loon dat er op volgen kan.

Daarom heeft de wijze zeker gezegd:
“Wee u, land, welks koning een knaap is,” die een weekelijke levenswijze heeft, en omringd is door weekelijke vleiers en zich niet bekommert om het algemeene best. Doch, daar deze knaap de onbillijkheid zijns vaders niet moet ontgelden, moet hij, indien hij vooruit wil gaan en den naam van de koninklijke waardigheid eer aan doen, mijn woorden gehoorzamen, die ik te voren over Cyprus gezegd heb, de zeden van zijn voorgangers niet navolgen, niet kinderachtig wezen en den weg inslaan, die een koning betaamt, en zich wenden tot iemand, die geen vrees koestert en niet zijn geschenken meer bemint dan zijn ziel en zijn eer, die vleierij haat en niet vreest de waarheid te zeggen en volgens die te handelen en verwijten durft doen, indien noodig. Anders zal de knaap geen vreugde beleven van het volk en volk niet van den uitverkorene.