BIRGITTAS LAATSTE OOGENBLIKKEN.
ZEVENDE BOEK, KAP. 31.

Vijf dagen voor het overlijden van de te voren vaak genoemde bruid van Christus, vrouwe Birgitta, gebeurde het dat Onze Heer met zacht gelaat zich aan haar openbaarde voor het altaar, dat in haar kamer was, en zeide: “Ik heb met u gedaan, zooals de bruidegom pleegt te doen, die zich niet aan zijn bruid vertoont, opdat er des te inniger naar hem verlangd wordt. Daarom heb ik u mijn troost onthouden gedurende dezen tijd, omdat het voor u een tijd van beproeving was.

Maar nu is die ten einde en moogt gij te voorschijn treden en u gereed maken, omdat uw tijd gekomen is, waarop vervuld zal worden wat ik u beloofd heb, namelijk dat gij u voor mijn altaar kleeden zult in nonnenkleederen en niet alleen genoemd zult worden mijn bruid, maar ook non en moeder van Vadstena. Eveneens zult gij weten, dat gij uw lichaam hier in Rome achterlaten zult, totdat het op de plaats komt, die er voor gereed gemaakt is, omdat het mij behaagt u die moeite te besparen en uw wil te beschouwen als een arbeid die volbracht is.”

Daarop zeide Hij tot de bruid: “Maar zeg den prior dat hij al mijn openbaringen, al mijn woorden aan de broeders en aan mijn bisschop nalaat, aan wien ik het vuur mijns geestes geven zal. En gij moet weten, dat wanneer het mij behaagt, er menschen komen zullen, die met vreugde en genot de woorden van deze hemelsche openbaringen ontvangen zullen, die u tot nu toe gegeven werden, en dan zal alles vervuld worden, wat u gezegd is. En hoewel velen, door hun ondankbaarheid, mijn genade missen zullen, zullen anderen in hun plaats komen en mijn genade verkrijgen.

Maar onder de laatste woorden van alle openbaringen die u gegeven zijn, moet de gemeenschappelijke en algemeene openbaring geplaatst worden, die ik u in Napels gegeven heb, daar mijn oordeel zich zal uitstrekken over alle volkeren, die niet met ootmoed tot mij terugkeeren, zooals u getoond is.”
Nadat dit gezegd was, en veel anders dat hier niet neergeschreven is, sprak genoemde bruid van Christus over enkele personen in haar omgeving, die zij zeide voor haar dood voor Gods oordeel gezien te hebben en duidde die aan.
Daarop sprak de Heer: “Op den morgen van den vijfden dag, nadat gij het Sacrament genuttigd hebt, moet gij de personen, die in uw nabijheid zijn en die ik nu genoemd heb, vertrouwelijk bij elkaar roepen en hun zeggen wat zij doen moeten. En dan zult gij door hun woorden en in hun armen naar uw klooster komen, dat is naar mijn vreugde, en uw lichaam zal plaats krijgen in Vadstena.”

Daarna, toen de vijfde dag naderde, bij den dageraad zelf verscheen Christus haar voor de tweede maal en troostte haar. En nadat de Mis gelezen was en het Sacrament genuttigd onder de grootste devotie en ootmoed, gaf zij den geest in de armen van genoemde personen.