AAN ELEASAR VAN SABRAN.
ZEVENDE BOEK, KAP. 5.

Lof en eer zij den almachtigen God, van wien al het goede uitgaat, in het bizonder voor wat Hij deed voor u in uw jeugd, en wien wij bidden moeten om de genade dat de liefde, die gij dagelijks voor God hebt, tot den dood toe in u toeneme.

Een sterke en machtige koning bouwde een vesting, waarin hij zijn teerbeminde dochter zette, en haar aan de zorgen van een man overliet, zeggende: “Mijn dochter heeft doodvijanden, daarom moet gij haar met alle macht en zorg beschermen. Vier dingen zijn er, die gij nauwkeurig in acht moet nemen en waarop gij steeds bedacht moet zijn. Ten eerste dat niemand de grondvesten ondergraaft, ten tweede dat niemand den muur over komt, ten derde dat niemand de muren der vesting doorbreekt, ten vierde dat geen vijand de poort in komt.

O, mijn Heer, dit, wat ik uit goddelijke liefde schrijf, God tot getuige nemend, die tot in de diepte des harten ziet, zal geestelijk vertolkt worden. Door de vesting versta ik uw lichaam, door den koning der hemelen geschapen uit stof. Door de dochter des konings versta ik uw ziel, geschapen door Gods goedheid en in uw lichaam geplaatst. Door den wachter versta ik het menschelijk verstand, dat uw ziel moet beschermen volgens den wil van den eeuwigen Koning. Door de grondvesten versta ik een vasten, onwrikbaren wil, waardoor en waarmee al wat goed is gebeuren kan, en waardoor de ziel het best beschermd wordt.

Want als uw wil zoo is, dat gij voor niets anders leven wilt dan om Gods wil te doen en gij er u geheel op toelegt hoe gij Hem met woord en daad kunt eeren en dienen met lichaam en goed en alle krachten, zoolang gij leeft, opdat gij uw ziel aan den Schepper kunt overleveren vrij van alle lichamelijke onreinheid, o! Wat een zorg vereischt het niet om behoorlijk deze grondvesten, dat is uw wil, te bewaken met wachters, dat is met het verstand, opdat niemand met zijn booze verleidingen, of aanslagen die grondvesten ondergrave tot schade der ziel!

Door hen, die deze grondvesten trachten te ondergraven, worden verstaan zij, die tot u spreken en zeggen: “O, mijn Heer, wees leek en neem u een vrouw, zedig en schoon, voornaam en rijk, opdat gij u verheuge in kinderen en erfgenamen en niet door lichamelijke begeerten geplaagd worde!” Anderen zeggen misschien aldus: “Indien gij priester wilt zijn, verschaf u boekenkennis, opdat gij Meester genoemd moogt worden en verschaf u door gebeden en gaven zooveel gij kunt van de schatten der Kerk; dan zal de wereld u eeren om uw wijsheid en vele wereldsche vrienden zullen u achten om uw grooten rijkdom.” Zie, indien bij toeval iemand u dergelijke dingen raadt, laat dan dadelijk de wachters, dat zijn de verstandige gedachten, hem antwoorden, dat gij liever alle lichamelijke pijnen lijdt dan dat gij uw reinheid verliest.

Antwoord ook, dat gij gaarne wijsheid en kennis verwerft tot Gods eer en om het christelijk geloof te verdedigen en goede menschen te sterken en de verdwaalden op het rechte pad terug te brengen, en voor allen, die uw hulp en uw onderwijs noodig hebben, maar dat gij in dit leven niets overvloedigs wilt nastreven, noch uit ijdelheid meer dienaars wenscht, dan uw lichaam behoeft. Zeg ook, dat indien Gods voorzienigheid u eenige inkomsten toebedeelt, of eenige waardigheid, gij die op verstandige wijze wenscht te gebruiken tot Gods glorie en tot het nut van uwe medechristenen. En zoo zal het ten slotte den wachter, dat is het verstand, gelukken hen te verdrijven die trachter de grondvesten te ondergraven, de grondvesten, waaronder ik uw goeden wil versta.

De verstandige gedachten moeten ook steeds nauwkeurig acht geven dat niemand over den muur komt, waardoor ik de liefde versta, die de grootste aller deugden is. En voorwaar gij zult weten dat de duivel niets liever wil dan over dien muur springen. En daarom doet hij wat mogelijk is, om de liefde voor de wereld op te wekken en die voor het lichaam, zoodat de liefde voor God in uw hart vermindert.

En daarom, o mijn Heer, zoo vaak de liefde voor de wereld in uw hart grooter dreigt te worden dan de liefde voor God, zend dadelijk den wachter er heen, het verstand, met Gods gebod, zeggende dat gij liever sterven wilt naar lichaam en ziel dan zoo te leven, dat gij zulk een goeden God vertoornt door woord of daad, maar dat gij liever leven wilt zoo, dat gij in geen enkel opzicht uw eigen leven spaart, noch uw goederen, noch uw bezittingen, noch de welwillendheid van vrienden en magen, maar alleen God volkomen behagen wilt en Hem in alles eeren; en dat gij liever vrijwillig allerlei lijden wilt uitstaan dan enkelen van uwe medemenschen schade of schande, verdriet of onrust te berokkenen, en dat gij liever alle uwe christelijke medemenschen broederlijk wilt liefhebben volgens Gods woord. O, mijn Heer, mij dunkt dat gij dan bewijst God meer lief te hebben dan u zelf en dan kan de wachter, het verstand, veilig rusten, want geen vijand uwer ziel zal over den top van den muur komen kunnen.

Door de muren versta ik de hemelsche vreugde, vier genoegens, waarnaar de menschen innerlijk met groote begeerte verlangen. Het eerste is een warm verlangen om God zelf te zien in Zijn glorie en een verlangen naar de onvergankelijke rijkdommen, die wien ze krijgt, niet ontnomen kunnen worden. Het tweede is zonder ophouden de melodieuse, zachte stemmen der engelen te hooren, die zonder einde God prijzen, en nooit moe worden Hem te bidden. Het derde is met heel het hart en heel het verlangen God eeuwigdurend te prijzen zooals Gods engelen zelf doen.

Het vierde is het verlangen naar de eeuwige vreugde in den hemel in gezelschap der Heiligen en engelen en goede zielen. En hierbij valt op te merken, dat evenals men in een huis altjid door muren omringd is waarheen men zich ook wendt, iemand ook altjid door sterke muren omgeven is die met alle kracht hijgt naar deze vier dingen, namelijk God te zien in Zijn glorie en de engelen God te hooren prijzen en God met hen te prijzen en hun vreugde te deelen nacht en dag, waarheen hij zich dan ook wendt, en wat hij ook doet, hij is goed bewaard! Dan is het, hoewel hij nog op aarde leeft, alsof hij omgang heeft met God in het gezelschap der Engelen.

O, mijn Heer, omdat uw vijand zulke muren wenscht door te breken en uw hart zulk een goddelijk verlangen te ontnemen en er andere verlangens in te brengen, die lijnrecht tegenover de goddelijke staan en uw ziel kunnen benadeelen, moet de wachter, het verstand, zorgvuldig de wacht houden over twee wegen, van waar de vijanden gewoonlijk komen: de eerste is het gezicht, de tweede het gehoor.

Door het gehoor geeft mij het hart genot in wereldsche zangen en schoon klinkende instrumenten, in nuttelooze avonturen en in andere dingen vooral die, welke weerklinken om den mensch te loven en te roemen, waardoor de mensch hoe trotscher hij op zich zelf is, zich des te verder van den ootmoedigen Christus verwijdert in zijn hoogmoed. Daarom moet de wachter, het verstand, zulk een begeerte tegengaan, zeggende: “Evenals de duivel allen ootmoed haat, dien de Heilige geest het menschelijk hart ingeeft, zal ik met Gods hulp haten allen hoogmoed, dien de booze geest mijn hart vergiftigend ingeeft. En dan zal de hoogmoed mij ondragelijk zijn als de walgelijkste stank.

De vijand komt door het gezicht om de muren omver te werpen en brengt daarvoor allerlei gereedschap mede, verschillende soorten van metaal, gesmeed in allerlei vormen, kostbare steenen, prachtige kleederen, statige paleizen, sterke vestingen, gronden, vischwateren, bosschen en wijngaarden en veel anders wat voor geld te koop is. Want, indien dit alles hevig begeerd wordt, worden de muren spoedig omver geworpen door hen die zich op het hemelrijk verheugden. Daarom moet de wachter, het verstand, zich haastig tot tegenstand gereed maken, als de lust naar zulke dingen binnen dringt, zeggende: “Als ik iets dergelijks in mijn bezit krijg, zal ik het in een kist leggen, waar dieven en wormen het niet bereiken kunnen, en met Gods hulp zal ik mijn God niet vertoornen door aardsche bezittingen te begeeren en omgang met hen die mij scheiden zullen van hen die Christus dienen.”

Door de poorten versta ik alles wat de nooddruft van het lichaam uitmaakt en wat onontbeerlijk is, als eten en drinken, slapen en waken, soms droefenis en soms vreugde. Daarom moet de wachter, het verstand, bij de poorten van het lichaam en van de nooddruft staan vol zorg en met groote wijsheid en moet hij onophoudelijk weerstand bieden aan de vijanden, opdat zij de ziel niet binnentreden. Daarom moet men acht geven op eten en drinken, opdat de vijand niet door overvloed naar binnen sluipt, want overvloed maakt het lichaam traag om God te dienen.

Eveneens moet men er acht op geven dat de vijand niet binnen sluipt door te groote onthouding, want onthouding maakt het lichaam onmachtig voor de dingen, die het doen moet. De wachter, dat is het verstand, moet er ook op letten dat niet te veel gerechten worden voorgezet uit zucht naar wereldsche eer, of roem, of om den menschen te behagen, hetzij men alleen is, of met zijn bedienden, of als er gasten komen. Men moet daarentegen een ieder een welddaad bewijzen van goddelijke liefde, zonder dat fijne schotels die kostelijk toebereid zijn, behoeven voorgezet te worden.

Daarna moet de wachter er zorg voor dragen, dat is het verstand, dat ook de slaap zoo geregeld is, dat het lichaam in staat is om te arbeiden tot Gods glorie, terwijl ook de uren die wakend worden doorgebracht zoo nuttig mogelijk besteed moeten worden. Maar als verdriet of droefheid nadert, moet de wachter, het verstand, zich met zijn metgezel, de godsvrucht, naar u toe haasten, opdat het niet gebeure dat gij door toorn of ongeduld Gods genade verliest en Gods ontevredenheid opwekt. En als voorspoed of vreugde uw hart vervult, moet de wachter, dat is het verstand, met alle kracht vrees voor God in het prenten, voor God die met de genade van Jezus Christus en Diens hulp al uw vreugde op een wijze dempen zal, die voor u het best en nuttigst is.