TEGEN BENGT ALGOTSZOON.
ACHTSTE BOEK, KAP. 19.

Gods moeder spreekt tot Gods bruid en zegt: “Gij verwondert u er over, waarom ik soms wij zeg, als ik tot u spreek; en als mijn Zoon tot u spreekt, zegt hij ik. Gij zult weten dat het is omdat als mijn Zoon tot u spreekt, spreekt hij uit naam der godheid, met u, want de Heilige Drievuldigheid is één God. Maar als ik spreek, spreek ik door de macht en kracht der Heilige Drievuldigheid, en het woord der drie Personen is één en hetzelfde, en daarom zeg ik wij. En zeg nu dezen koning, voor wien gij bidt, dat de moeder der liefde hem waarschuwt voor schaamte, schande en schade. Want schaamte en schande ware het, indien de heer zijn slaaf in zijn plaats zette, en schade ware het, indien iemand een kist vol goud wegschonk of ruilde voor een leege kist, die tot niets te gebruiken is.

Aldus denkt deze koning den dienaar des duivels te verheffen en is bereid om hem te gehoorzamen, wat werkelijk geestelijke schande is. Daarom zweer ik bij Jezus Christus, mijn Zoon, dat indien de Koning niet (in overeenkomst met den steun der verstandigen) afziet van zijn plan en hem niet laat n den lagen stand waaruit hij voortspruit, zonder hem macht te geven over het geringste, zal ik hem geeselen en kwellen van hoofd tot voeten, tot hij van pijn en smart zegt: “Erbarm u over mij, Maria, want ik wekte uw toorn op.”

Ten tweede, waarschuw ik hem voor de verwoesting, hij moet niet zooveel prijs stellen op wat rust en kalmte, maar liever ijverig en nauwkeurig werken uit liefde voor God, opdat hij het kostbare en onvergankelijke goud verkrijge (dat het loon des hemelrijks is). Maar wil hij gehoorzamen aan wat mijn Zoon hem gezegd heeft, dan behoeft hij niet bedroefd te zijn, want zij zullen wel uitwegen vinden, waardoor hij ontkomen kan, wat begonnen is, zonder blootgesteld te worden aan den smaad der wereld en zonder er door onteerd, noch benadeeld te worden.”