RAAD EN VERMANINGEN AAN MAGNUS ERIKSSON.
ACHTSTE BOEK, KAP. 2.

Ik ben de ware Koning, en niemand anders is waardig Koning genoemd te worden dan ik, want alle glorie en macht zijn van mij. Ik ben degeen, die den eersten engel veroordeelde, die viel uit hoogmoed, begeerte en afgunst. Ik ben degeen, die Adam en Eva veroordeelde en het geheele menschdom en den vloed liet komen voor de zonden der menschen. Ik ben dezelfde, die het volk van Isral leidde naar de gevangenschap en het wonderbaarlijk daaruit verloste door teekens en wonderen. In mij is alle rechtvaardigheid en die is geweest zonder begin en zal zijn zonder einde. En de rechtvaardigheid bij mij zal nooit verminderen, maar zal altijd waar en onveranderlijk in mij verblijven.

En daar nu de koning van Zweden mij ootmoedig vraagt hoe hij onder zijn regeering en in zijn rijk rechtvaardig en verstandig leven moet, zal ik hem tien dingen verkondigen, die hij dien moet.

Ten eerste, dat hij de raadgevers verwijdert, wier hart belust is op eer en goed, wier mond twee bedrieglijke talen spreekt, wier oogen scherp zijn en blind voor geestelijke dingen. En hij moet uitkiezen, lieden die rechtvaardigheid niet voor geld verkoopen, die zich schamen voor leugen en valscheeid, die God meer liefhebben dan lichamelijke genoegens en die zich erbarmen over den nood en het ongeluk van hun medemenschen en onderhoorigen.

Ten tweede, wil ik dat de koning zelf helpen zal om uw klooster te bouwen, waarvan ik u den regel zelf dicteerde.
Ten derde, dat hij zijn dienaars en huurlingen zend naar heidensche landen en plaatsen, waar het christelijk geloof en de liefde voor God verspreid moeten worden. En hij moet weten, dat zijn dienaars verslagen werden en gedood te Kopenhagen, omdat hij streefde naar een deel van het rijk van een mede-christen.

Ten vierde moet de koning dagelijks zelf de getijden lezen van mijn moeder de maagd Maria. En als hij te oordeelen heeft, of andere gewichtige zaken te doen, moet hij de daggetijden overslaan. Maar iederen dag moet hij twee afzonderlijke Missen bijwonen, of en Hoogmos, en iederen dag moet hij zich vijfmaal de vijf wonden herinneren, die ik voor hem verdroeg aan het kruis.
Ten vijfde, moet hij op den vooravond der Heilige feestdagen, die door de Heilige Kerk aangewezen zijn, en op die mijner moeder vasten. En s Vrijdags moet hij vasten met visch en des Zaterdags, indien hij wil, met wit voedsel en de lange vasten onderhouden volgens de gewoonte van het land.

En hij moet zorg dragen om matig en stipt te zijn in zijn vasten, opdat hij niet stomp worde als het een raadsbesluit geldt, of te kort schiete in het oordeel dat hij vellen moet, tengevolge van te veel vasten of onredelijk waken en lange, nietszeggende en slappe gebeden. Maar als zijn arbeid toeneemt, gehoorzame hij den raad van mijn Kerkelijke bestuurders en hun macht en bevel.

Ten zesde, moet hij als aalmoes aan de armen geven iedere tiende penning die zijn vorstelijke voorraadkamer toebehoort, en wil hij uit vroomheid en met een eerlijk doel iets daarboven geven tot mijn glorie en uit liefde voor mij, dan zal zijn loon des te grooter zijn.

Ten zevende moet hij iederen Vrijdag dertien arme menschen in huis roepen en hen de voeten wasschen en hun eten en geld geven met eigen hand, indien hij niet op reis is, want dan behoeft hij het niet te doen. En s Vrijdags als hij kalm op zijn landgoed verblijft, moet hij zich geheel vrij houden om dien dag de klachten aan te hooren van het volk en van zijn onderdanen en dienaren en van hooge en lage ambtenaren, en te woord staan hen, die rekenschap moeten afleggen en hen die koninklijke inkomsten en schatten innen.

Ten achtste, moet de koning zelf redelijk zijn in zijn giften, zoodat hij den een geeft op een wijze dat hij niet gierig tegenover den ander is; en indien hij enkelen meer wil geven ter wille van hun verdienstelijk leven of hun verdiensten, dan moet hij er geschikte redenen voor vinden en het met zeer veel beleid doen, opdat geen onrechtvaardigheid bij den koning worde opgemerkt en dat hij geen reden geve tot ontevredenheid. Want niets valt zoo af te keuren bij een vorst dan onredelijke mildheid, of schrielheid. En niets siert den koning zoo zeer als wanneer hij toont dat hij maat weet te houden en weet te beloonen hen die met liefde in zijn dienst arbeiden. En de koning moet ook aan vreemdelingen geschenken geven, en wel aan hen, die vrede houden in zijn rijk en nood lijden. Toch moet hij het zoo doen, dat zijn eigen onderdanen niet vergeten worden.

Ten negende, moet hij Gods geboden overtreden, noch breken, noch in strijd daarmede handelen en geen nieuwe gebruiken invoeren, en de bevelen en de wettige regels van het rijk niet verdringen voor minder goede, en niet met geweld of haast de dingen oordeelen of veroordeelen, maar in alles de rechtvaardigheid betrachten volgens de wet van God, en de regels van het rijk. Want de koning moet niet zonder onderscheiding bevelen en niet heerschen met wreedheid.

Ten tiende moet de koning in al zijn daden zoo optreden en zich zoo toonen, dat hij zijn koninklijken naam waardig is. Hij moet alle begeerten ontvlieden en waren ootmoed beminnen. Want zooveel hooger als de Koning staat en een zooveel waardiger plaats als hij inneemt dan anderen, des te ootmoediger moet hij zijn voor God, van Wien alle macht komt. Want, God eischt even streng rekenschap bij Zijn oordeel van den koning als van het volk.