AAN DE KONINGEN VAN ENGELAND EN FRANKRIJK, EDUARD III EN FILIPS VI VAN VALOIS.
ACHTSTE BOEK, KAP. 21.

Gods moeder spreekt tot haar Zoon: “Gezegend zijt gij, mijn Zoon! Er staat geschreven, dat ik gezegend genoemd word, want ik droeg u in mijn schoot, maar gij antwoorddet, dat ook hij gezegend is, die uw woord hoort en bewaart. Want, mijn Zoon, ik ben degene, die uw woord trouw in mijn hart bewaarde. Daarom herinner ik aan een woord dat gij zeidet tot St. Petrus, toen hij vroeg, of hij de zondaars vergeven moest tot zeven malen toe, en gij antwoorddet: “Tot zeven maal zevenhonderd malen toe”, waarmede gij zeggen wildet dat zoo vaak iemand zich verootmoedigt met den wil zijn zonden te beteren, gij gereed zijt om barmhartigheid uit te oefenen.”

De Zoon antwoordde: “Ik getuig hierbij, dat mijn woorden in u geworteld en bekrachtigd zijn als het zaad, dat in vette aarde gezaaid werd en honderdvoudig vrucht droeg. Zoo dragen uwe deugdzame daden de vrucht der vreugde aan allen; vraag daarom wat gij wilt.”
De moeder antwoordde: “Ik bid u met den Heiligen Dionysius en andere Heiligen, wier lichamen in Frankrijk rusten en wier zielen in het hemelrijk zijn, erbarm u over dit land. Want in gelijkenissen sprekend ter wille van uw bruid, die in den geest hier tegenwoordig is, zie ik twee dieren, elk even afzichtelijk in zijn soort. Het eene dier slokt alles op wat het krijgen kan en hoe meer het eet des te hongeriger is het, zijn honger is nooit te verzadigen. Het andere dier tracht zich boven alles te verheffen.

Deze twee dieren hebben drie slechte eigenschappen: ten eerste een vervaarlijke stem, ten tweede zijn zij vol vreeselijk vuur, ten derde begeeren beiden elkaars hart te verslinden. En het eene dier tracht met zijn tanden zich door den rug van het andere van diens hart meester te maken. De vreeselijke stem van die afschulijke dieren wordt ver weg gehoord, en alle dieren die met open mond naar hen toekomen, worden gebrand door hun vuur en komen daardoor in de macht van den dood. En de dieren, die met gesloten mond naar hen toe komen, worden van hun wol beroofd en vertrekken naakt.

Met deze twee dieren worden bedoeld twee koningen, namelijk die van Frankrijk en die van Engeland. De eene koning is niet te verzadigen, want zijn strijd komt voort uit gulzigheid, de andere tracht hooger op te komen, en beiden zijn vertoornd door het vuur der onverzadigheid. De leus van deze dieren is de volgende: “Neem goud en al de rijkdommen der wereld en spaar het bloed van christelijke menschen niet!” Beide dieren wenschen elkaars dood en daarom trachten zij elkaar kwaad te doen. En elk dier wenscht dat zijn onrecht als recht beschouwd zal worden en het recht van het andere als onrecht.

De Zoon antwoordde: “O mijn dierbaarste moeder, gij ziet alles in mij, zeg, terwijl deze mijn bruid toehoort, die in den geest hier tegenwoordig is, welk recht hebben deze koningen om gehoord te worden, of waarom zou hun genade geschieden?”
De moeder antwoordde: “Ik hoor drie stemmen. De eerste stem is van deze koningen; een van hen denkt als volgt: “Als ik nu het mijne had, zou ik dat van den ander niet willen hebben, maar ik ben bang om alles te verliezen.” En ten gevolge van dezen angst, die daarin bestaat dat hij den smaad en de schande van de wereld vreest, wendt hij zich tot mij en zegt: “O Maria, leid mij!” De andere stem is die van het volk, dat mij dagelijks om den vrede bidt. De derde is die van Uw uitverkorenen, die roepen en zeggen: “Wij beweenen niet de lichamen der dooden, noch ontbering, noch armoede, maar wij beweenen den val der zielen, die dagelijks in het booze volharden. En daarom, o dierbare heerscheres, bid uw Zoon dat de zielen gered mogen worden.” Daarom, o! Mijn geliefde Zoon, erbarm U over hen!”

De Zoon antwoordde: “Er staat geschreven dat wie klopt opengedaan zal worden, en die roept beantwoord en die bidt gegeven. Maar evenals een ieder die klopt voor de deur staat, staan ook deze koningen voor de deur, want zij hebben mij niet in hun hart. En toch zullen, ter wille van u, die bidden opengedaan worden.”