VREDESVOORSTEL TUSSCHEN FRANKRIJK EN ENGELAND.
ACHTSTE BOEK, KAP. 28.

Gods Zoon spreekt: “Ik ben de Koning, dien allen moesten vreezen en eeren. Toch zal ik ter wille van de gebeden mijner moeder den koningen van Frankrijk en Engeland mijn woorden zenden. Ik ben de ware vrede, en waar vrede is, daar ben ik. En als deze twee koningen, die van Frankrijk en die van Engeland, vrede willen hebben, zal ik hun vrede op aarde geven. Maar ware vrede kan niet verkregen worden als de waarheid en de rechtvaardigheid niet bemind worden; daar echter de eene koning gelijk heeft, dunkt mij dat vrede gesticht moet worden door een huwelijk, opdat het rijk een rechtmatigen erfgenaam verkrijge. Ten tweede wil ik, dat zij één hart en één ziel zijn en het Heilig christelijk geloof verbreiden, waar zij het mer succes doen kunnen tot mijn glorie.

Ten derde moeten zij de ondragelijk schatten afschaffen en de zielen hunner onderdanen liefhebben. Maar, indien de koning, die nu het rijk bezit, niet wil gehoorzamen, zal hij weten, dat hij geluk noch voorspoed hebben zal in zijn onderneming, maar dat hij zijn leven in droefheid zal eindigen en het rijk in verwarring achter zal laten, en zijn zoon en diens nakomelingen zullen ongeluk, vernedering en schande ondervinden, zoodat allen er zich over verwonderen zullen. Maar, wil de koning, die gelijk heeft, gehoorzamen, dan zal ik hem helpen en voor hem strijden; maar indien hij niet gehoorzamen wil, zal hij zijn doel niet bereiken, maar verliezen wat hij gekregen heeft, en een droevig einde zal zijn gelukkig begin verduisteren. Maar, indien het fransche volk waren ootmoed toont, zal het rijk een wettigen erfgenaam verkrijgen en zal de vrede geluk aanbrengen.”