AAN ISRAËL BIRGERSZOON.
ACHTSTE BOEK, KAP. 29.

Toen een groot en rechtvaardig ambtenaar in het rijk Zweden, die Heer Israël heette, verscheidene malen en door vele gebeden door den koning tot de hooge waardigheid geroepen werd om het rijk te besturen, maar hij naar de heidenen wenschte te gaan en daar te sterven in den strijd om den Heiligen troon tot glorie van God, en hij geenszins genegen was om genoemde waardigheid te bekleeden, sprak Gods moeder tot de bruid van Christus, zeggende: “Indien zij, die de rechtvaardigheid kennen en die willen nakomen, arbeid weigeren of een last tot glorie van God, hoe zal dan de macht van het rijk stand houden? Waarlijk, dan is het geen rijk, maar eerder een roovershol en een verblijfplaats voor dieven, waar de onrechtvaardigen de macht in handen hebben en verheven worden en de rechtvaardigen onderdrukt.

En daarom moet de goede en rechtvaardig door zijn liefde voor God en door zijn goeden wil getrokken worden om het bestuur van het rijk op zich te nemen, opdat hij velen helpt. Maar zij, die macht en heerschappij begeeren en najagen ter wille van wereldsche eer, zijn geen ware ambtenaren, maar eerder de slechtste roovers. En daarom moet mijn vriend Israël het bestuur van dit rijk en de waardigheid aannemen tot glorie van God en altijd de woorden der waarheid in den mond hebben en het zwaard der rechtvaardigheid in de hand, en hij moet niet zien of de menschen er hun goedkeuring aan hechten en zich niet naar hen voegen, evenmin als naar magen, vrienden en dienaren en hij moet nooit iemand zoo hoog stellen dat de rechtvaardigheid er door verzuimd wordt. En ik zeg u, det er van dezen gezegd zal worden: “Mannelijk kwam hij voort uit zijn vaderland, Gods moeder eerde hij oprecht en God diende hij trouw.”

Daarom zult gij weten, dat ik hem langs een anderen weg naar mijn rijk leid, evenals de drie koningen, die voor het eerst mijn Zoon hun offers brachten, langs een anderen weg in hun rijk terug kwamen.”
Zoo gebeurde het ook. Want, na verloop van vele jaren, trok heer Israël uit zijn vaderland naar de ontrouwe heidenen en kwam te Riga in Duitschland, waar hij ziek werd. En toen hij den dood voelde naderen, begaf hij zich met enkelen dienaren naar de Domkerk in die stad, en stak een kostbaren gouden ring aan den vinger van het beeld van onze Vrouwe, die daar met den grootsten eerbied vereerd wordt, liet den ring aan den vinger en zeide luid tot het beeld: “Gij zijt mijn heerscheres, en gij waart mij altijd het zoetst, en daarom neem ik u tot getuige, en daarom laat ik mijn ziel over aan uw voorzienigheid en barmhartigheid.” Daarop ontving hij vol ootmoed en devotie de Sacramenten der Heilige Kerk en stierf.

Daarop bad de bruid Gods voor hem en de moeder Gods sprak en zeide van hem: “Hij gaf mij den gouden ring zijner liefde, hij begeerde mij tot bruid. Daarom zult gij (mijn dochter) weten, dat hij mij niet met een half hart liefhad, terwijl hij leefde, maar met geheel zijn hart, en in geheel zijn oordeel en alle zijne daden vreesde hij mijn Zoon. En daarom zeg ik, dat ik hem met de hulp van mijn Zoon naar den hemel leidde, langs den weg, die voor hem het noodigst en nuttigst was, en ik plaatste hem voor de heirscharen der Heilige engelen en Heiligen in het hemelrijk, die hem zeer lief hadden.
En het was nuttig voor hem in het buitenland te sterven, opdat hij niet bezwaard zou zijn door wereldsche zorgen, wat het geval geweest ware indien hij in de armen zijner magen gestorven was. Zijn goede wil behaagde God zoo waar evenzeer, alsof hij in het land der heidenen zelf gestorven was, in den strijd tegen de heidenen voor den Heiligen troon.