Christus' woorden tot zijn bruid over hoe hij zichzelf uit vrije wil heeft overgeleverd aan zijn vijanden om gekruisigd te worden en over onthouding van het lichaam, naar het voorbeeld van zijn lijden.
BOEK 1 – HOOFDSTUK 11

De Zoon van God sprak met zijn bruid, zeggende: "Ik ben de Schepper van hemel en aarde, en het is mijn ware lichaam dat wordt ingewijd op het altaar. Hou van me met heel je hart, omdat ik van jou heb gehouden, mezelf heb overgegeven aan mijn vijanden uit vrije wil, terwijl mijn vrienden en mijn Moeder achtergelaten werden in bittere pijn en rouw. Toen ik de lans, de nagels, de zwepen en de andere pijnigende gereedschappen zag klaarliggen, bleef ik in vreugde lijden. Toen mijn hoofd door de kroon van doornen aan alle kanten bloedde, dan, zelfs als mijn vijanden ook m’n hart zouden bezitten, zou ik het nog liever hebben laten splijten en verwond dan jou te verliezen. Dus je bent ontzettend ondankbaar, als je in ruil voor zo’n grote liefdadigheid, me niet liefhebt.

Als mijn hoofd doorstoken was en gebogen aan het kruis voor jou, zou jouw hoofd ook in nederigheid moeten buigen. Omdat mijn ogen bloederig en vol van tranen waren, zouden je ogen zich moeten weghouden van plezierig zicht. Omdat mijn oren gevuld waren met bloed en spottende woorden hoorden, zouden je oren zich moeten afwenden van lichtzinnig en ongepast taalgebruik. Omdat mijn mond een bitter drankje kreeg aangeboden, maar een zoet drankje geweigerd werd, spreek je geen kwaad uit je mond, maar open je ‘m altijd voor ’t goede. Omdat mijn handen werden uitgestrekt door nagels, laat jouw werken, die de handen symboliseren, uitgestrekt zijn naar de armen en mijn geboden. Laat je voeten, dat zijn je affecties, waarmee je naar me toeloopt, gekruisigd zijn als aan lusten, zo dat, net als ik heb geleden in al mijn ledematen, al jouw ledematen klaar zijn om mij te gehoorzamen. Ik vraag meer diensten van je dan van anderen, omdat ik je een grotere genade heb gegeven.”