Christus' woorden tot zijn bruid over de manier waarop ze moet bidden en de eerbied die ze moet handhaven en over de drie soorten mensen die God dienen in deze wereld.
BOEK 1 – HOOFDSTUK 14

Ik ben uw God, die werd gekruisigd aan het kruis, ware God en waar mens in één persoon en dagelijks aanwezig in de handen van de priester. Wanneer je een gebed tot me richt, eindig het altijd met de wens dat mijn wil en niet de jouwe wordt gedaan. Ik hoor je niet bidden voor degenen die al veroordeeld zijn. Soms wens je ook iets gedaan te krijgen dat tegen je verlossing ingaat, daarom is het belangrijk voor je om je wil aan mij toe te vertrouwen, omdat ik alle dingen weet en je alleen maar voorzie van alles wat nuttig is. Er zijn velen die niet met de juiste intentie bidden en het daarom niet verdienen om gehoord te worden.

Er zijn drie soorten mensen die mij dienen in deze wereld.
De eersten zijn degenen die geloven dat ik God ben die alles geeft en macht heeft over alle dingen. Zij dienen me met de intentie om tijdelijke zaken en eer te verkrijgen, maar de dingen van de hemel hebben geen betekenis voor ze en ze zouden ze even snel verliezen zodat ze weer nieuwe tijdelijke dingen kunnen verkrijgen. Werelds succes in alles valt hen ten deel, al naar gelang hun wensen. Omdat ze ’t eeuwige goede zijn verloren, beloon ik ze met tijdelijk comfort voor elke goede dienst die ze me bewijzen, tot aan de laatste duit en hun allerlaatste moment.

De tweede zijn degenen die geloven dat ik de almachtige God ben en een strenge rechter, maar die mij dienen uit angst voor straf en niet uit liefde of hemelse glorie. Als ze niet bang voor me waren, zouden ze me niet dienen.

De derden zijn degenen die geloven dat ik de Schepper van alle dingen en ware God ben en die geloven dat ik rechtvaardig en barmhartig ben. Zij dienen me niet uit angst voor bestraffing, maar uit goddelijke liefde en liefdadigheid. Ze zouden liever enige straf krijgen, als ze het konden verdragen, dan mij uit te dagen tot boosheid. Ze verdienen het waarlijk om gehoord te worden wanneer zij bidden, omdat hun wil in harmonie is met de mijne.

De eerste soort dienaar zal nooit mijn straf ontwijken of mijn gezicht zien. De tweede zal niet zoveel gestraft worden, maar zal nog steeds mijn gezicht niet zien, tenzij hij zijn angst corrigeert door boetedoening.