Christus' woorden tot zijn bruid over hoe er nederigheid moet zijn in het huis van God, en over hoe een dergelijk huis (klooster) staat voor het religieuze leven en gebouwd moet worden, en over de wijze waarop gebouwen en aalmoezen op een rechtmatige manier verworven moeten worden en over hoe onrechtmatig verworven goederen teruggegeven dienen te worden.
BOEK 1 – HOOFDSTUK 18

In mijn huis, dat nu slechts minachting krijgt, moet nederigheid zijn. Er moet een stevige muur tussen de mannen en vrouwen staan, want hoewel ik in staat ben iedereen te verdedigen en te ondersteunen, zonder dat daar enige muur voor nodig is, wil ik toch als een preventieve maatregel en als gevolg van de sluwheid van de duivel, de twee ruimtes scheiden. Het moet een stevige muur zijn, niet erg hoog, maar matig hoog. De ramen moeten eenvoudig en transparant zijn, het dak redelijk hoog, zodat er niets gezien kan worden dat geen nederigheid betreft.

De mannen die tegenwoordig huizen voor me bouwen zijn als grootse bouwmeesters, die wanneer de heer des huizes bij hen binnen komt, geen spier vertrekken en hem voor de voeten lopen.
Ze hogen modder op en vertrappen het goud. Ze bouwen modder, ik bedoel hiermee, dat ze tijdelijke en aan bederf onderhevige goederen naar de hemel opstapelen, om het zo te zeggen, hoewel ze niet voor de zielen zorgen, die kostbaarder zijn dan goud. Als ik tot ze wil komen via mijn priesters of door goede gedachten, vertrekken ze geen spier en lopen ze me voor de voeten, ik bedoel hiermee dat ze vloeken in mijn naam en mijn werken en woorden zo verwerpelijk als modder beschouwen. Ze denken zelf veel wijzer te zijn.
Als ze dingen wilden bouwen voor mij en mijn roem, zouden ze op de eerste plaats aan hun eigen ziel moeten bouwen.

Laat degenen die mijn huis bouwen zorgvuldig bewaken dat geen cent die niet rechtvaardig verworven is naar het gebouw gaat. Er zijn genoeg mensen die weten dat ze onrechtmatig verworven goederen bezitten en er toch geen spijt van hebben, noch de intentie hebben en verheugd zijn om hun bedrog en gestolen goederen terug te geven. Hoewel ze teruggave en tevredenheid zouden kunnen bewerkstelligen als ze ertoe bereid waren. Zij geven echter een deel van hun onrechtmatig verworven goederen aan de kerken, omdat zij zich realiseren dat ze deze niet voor altijd kunnen houden, alsof ze zich met mij kunnen verzoenen door hun donatie. Maar voor hun nageslacht bewaren ze de goederen, die waarschijnlijk gekocht zijn. Hier ben ik helemaal niet gelukkig mee.

Een persoon die mij wil verheugen door middel van zijn donaties moet in de eerste plaats de wens hebben om op het rechte pad te lopen en zou dan de goede werken moeten doen, waarvan hij in staat is ze te doen. Hij zou het kwaad dat hij heeft verricht moeten betreuren en teruggeven als hij kan. Als hij het niet kan, zou hij het voornemen moeten hebben om zijn onrechtmatig verworven goederen terug te geven. Dan moet hij ervoor zorgen dat hij in de toekomst niet weer zulke zonden begaat. Als de persoon aan wie hij zijn onrechtmatig verkregen goederen dient terug te geven niet meer leeft, dan kan hij aan mij, die in staat is om iedereen terug te betalen, doneren. Als hij niet in staat is het terug te geven, maar de bedoeling heeft zich te beteren en met een berouwvol en nederig hart zich tot mij richt, dan kan ik, hetzij nu of in de toekomst, middelen gebruiken om hun eigendom terug te geven aan al diegenen die bedrogen zijn, aangezien ik rijk genoeg ben.

Laat me je uitleggen wat de bedoeling is van het huis dat ik gebouwd wil hebben. Het huis is het religieuze leven. Ikzelf, de Schepper van alle dingen, door wie alle dingen gemaakt werden en bestaan, ben het fundament ervan. Er zijn vier muren in dit huis. De eerste is de gerechtigheid waardoor ik degenen die vijandig zijn ten opzichte van dit huis, veroordeel. De tweede muur is de wijsheid waardoor ik de inwoners zal verlichten met mijn kennis en begrip. De derde is de kracht waarmee ik ze zal versterken tegen de intriges van de duivel. De vierde muur is mijn genade, die iedereen die erom vraagt, verwelkomt. In deze muur zit de deur van genade, waardoor alle zoekenden welkom zijn. Het dak van het huis is de liefdadigheid waarmee ik de zonden bedek van degenen die mij zo liefhebben dat ze niet veroordeeld worden voor hun zonden.

Het dakraam waardoor de zon binnenkomt is de overweging van mijn genade, die de warmte van mijn goddelijkheid laat doordringen op de inwoners. Dat de muur groot en sterk moet zijn betekent dat niemand mijn woorden kan verzwakken of vernietigen. Dat het matig hoog moet zijn betekent dat mijn wijsheid deels begrepen en herkend kan worden, maar nooit volledig. De eenvoudige en transparante ramen betekenen dat mijn woorden eenvoudig zijn, maar dat het licht van de goddelijke kennis er toch de wereld mee binnentreedt. Het matig hoge dak betekent dat mijn woorden niet op een onbegrijpelijke, maar in een overzichtelijke en begrijpelijke manier tot uiting komen.