Christus' woorden tot zijn bruid waarin hij een onoprecht man beschrijft, die een vijand van God wordt genoemd, en vooral over zijn hypocrisie en alles over zijn karakteristieken.
BOEK 1 – HOOFDSTUK 23

Mensen denken dat hij een goed geklede, sterke, en waardige man is, die actief is in de strijd van de Heer. Wanneer zijn helm echter wordt afgezet, ziet hij er walgelijk uit en ongeschikt voor elk werk. Zijn hersenen lijken hol, zijn oren zitten op zijn voorhoofd, zijn ogen op zijn achterhoofd. Zijn neus is afgesneden. Zijn wangen zijn helemaal ingevallen zoals die van een dode man. Aan de rechterkant is zijn jukbeen en zijn zijn lippen er allemaal afgevallen, zodat er aan de rechterkant niks overblijft behalve zijn onbedekte keel. Op zijn borst krioelt het van de wormen; zijn armen zijn als een stel slangen. Een kwaadwillende schorpioen zit in zijn hart; zijn rug ziet er uit als steenkool. Zijn darmen zijn rot en stinken als bedorven vlees, zijn voeten zijn dood en zinloos om mee te lopen.

Ik zal je nu vertellen wat dit allemaal betekent. Aan de buitenkant is hij het soort man die vol van goede gewoonten en wijsheid en actief in mijn dienst lijkt, maar zo is hij helemaal niet. Want als de helm van zijn hoofd wordt verwijderd, ik bedoel hiermee, als hij werd getoond zoals hij is, zou hij de lelijkste man van allen zijn. Zijn hersenen lijken hol, aangezien de dwaasheid en lichtzinnigheid van zijn manieren, tekenen zijn die evident genoeg zijn voor goede mensen om te zien dat hij zoveel eer onwaardig is.

Als hij mijn wijsheid geproefd had, zou hij zich realiseren dat hij zoveel meer in eer verheven is boven anderen, dat hij zich sober zou gedragen. Zijn oren zitten op zijn voorhoofd, in plaats van de nederigheid die hij zou moeten hebben in zijn hoge rang en die hij zou moeten laten schijnen voor anderen, wil hij alleen zijn eigen eer en roem horen. Hij is trots en dat is waarom hij wil dat iedereen hem groots en goed noemt. Hij heeft ogen op zijn achterghoofd, want zijn gedachten zijn gericht op het heden en niet op de eeuwigheid. Hij denkt over hoe hij mensen kan verheugen en over wat nodig is voor de behoeften van zijn lichaam, maar niet over hoe hij mij zou kunnen verheugen of over wat goed is voor zielen.

Zijn neus is afgesneden, omdat hij het onderscheidingsvermogen tussen zonde en deugd heeft verloren, tussen tijdelijke en eeuwige roem, tussen wereldse en eeuwige rijkdom, tussen die tijdelijke pleziertjes en het eeuwige geluk. Zijn wangen zijn ingevallen, dat wil zeggen, al zijn gevoelens van schaamte in mijn aanwezigheid, samen met de schoonheid van de deugden, waardoor hij mij zou verheugen, zijn allemaal dood voor zover als ik er bezorgd om ben. Hij schaamt zich om te zondigen uit angst van de menselijke schaamte, maar helemaal niet uit angst voor mij. Een deel van zijn jukbeen en lippen is eraf gevallen, waardoor niks is overgebleven, behalve zijn keel, vanwege de imitatie van mijn werken en het preken van mijn woorden samen met oprecht gebed zijn al afvallig van hem geworden, zodat niks overblijft in hem, behalve zijn gulzige keel. Maar hij vindt de imitatie van de verdorvenheid en betrokkenheid bij wereldlijke zaken heilzaam en aantrekkelijk.

Zijn borst is vol wormen, want in zijn borst, waar de herinnering moet zijn aan mijn lijden en de herinnering aan mijn daden en geboden, is slechts bezorgdheid over tijdelijke zaken en wereldse wensen. De worm knaagt een weg door zijn geweten, zodat hij niet aan geestelijke zaken denkt. In zijn hart, waar ik zou willen vertoeven en waar mijn liefde gevestigd zou moeten zijn, woont een kwaadwillige schorpioen met een stekende staart en een gedienstig gezicht. Dit komt omdat gedienstige en verstandig klinkende woorden uit zijn mond komen, maar zijn hart vol met onrecht en bedrog is, want hij geeft er niks om als de kerk die hij vertegenwoordigt vernietigd wordt, zolangs als hij zijn zelfzuchtige wil kan uitdragen.

Zijn armen zijn net slangen, omdat hij in zijn goddeloosheid uitreikt naar de eenvoudige mensen en hen tot zichzelf roept met eenvoud, maar als het zijn doelstellingen niet bevredigd, wijst hij ze uit als armoedzaaiers. Net als een slang, rolt hij zich op in een ring door zijn kwaadaardigheid en ongerechtigheid te verbergen, zodat bijna niemand zijn sluwheid kan ontdekken. In mijn ogen is hij als een verachtelijke slang want, net als een slang verfoeilijker is dan ieder ander dier, is hij ook voor mij het meest vervormd en hypocriet, aangezien hij mijn gerechtigheid voor niets houdt en mij beschouwt als iemand die niet bereid is straffen te veroorzaken.

Zijn rug is net als steenkool, maar het dient als ivoor te zijn, omdat zijn daden moediger en zuiverder moeten zijn dan die van anderen om zo de zwakken te ondersteunen door zijn geduld en door het voorbeeld van een goed leven. Maar, in plaats daarvan is het als steenkool, omdat hij te zwak is om ook maar een woord van mijn roem te verduren, tenzij het hemzelf bevoordeelt. Hij denkt nu moedig te zijn ten aanzien van de wereld en omdat hij denkt dat hij een eerzaam mens is, in zijn recht staat, zal hij vallen, aangezien hij voor mij en mijn heiligen zo vervormd en levenloos is als steenkool. Zijn darmen stinken, want voor mij stinken zijn gedachten en genoegens als rottend vlees, de stank die niemand kan verdragen.

Geen van de heiligen kan hem verdragen, in plaats daarvan keert iedereen zijn gezicht van hem weg en vraagt een veroordeling van hem. Zijn voeten zijn dood, want zijn twee voeten zijn twee wilsbeschikkingen, ik bedoel hiermee, de wens om zijn zonden te corrigeren en de wens om het goede te doen. Deze voeten zijn echter dood in in hem, want het merg van de liefde is helemaal verbruikt in hem en er is niks van over, behalve de geharde botten. Op deze manier staat hij voor me. Zolang zijn ziel echter in het lichaam blijft, kan hij genade ontvangen.

UITLEG
Sint Lawrence kwam naar de Heilige Birgitta en zei: "Toen ik in de wereld was, had ik drie dingen: onthouding ten aanzien van mijzelf, barmhartigheid ten aanzien van mijn buurman, liefdadigheid ten aanzien van God. Vandaar dat ik het woord van God fanatiek predikte, de goederen van de kerk voorzichtig verdeelde en geseling, vuur en dood met vreugde onderging.

Maar deze bisschop ondergaat en bedekt de onthouding van de geestelijken, besteedt de goederen van de kerk aan de rijken en toont liefdadigheid aan zichzelf. Daarom, verklaar ik tot hem dat een lichte wolk uit de hemel is neergedaald, overschaduwt door donkere vlammen om niet door velen gezien te worden. Deze wolk is het gebed van de Moeder van God van de kerk. De vlammen van hebzucht en van het gebrek aan vroomheid en gerechtigheid verdonkeren het zo, dat de lieflijke genade van de Moeder van God niet tot de harten van de goddelozen kan binnendringen.

Laat de bisschop zich daarom snel bekeren tot goddelijke liefdadigheid door zichzelf te verbeteren, door zijn ondergeschikten aan te manen in woord en voorbeeld, en door ze aan te moedigen zich te verbeteren. Als hij dit niet doet, zal hij de hand van rechtvaardigheid voelen en zijn diocesaanse kerk zal worden schoongeveegd door het vuur en het zwaard en geteisterd worden door plunderingen en beproevingen zodat het een lange tijd zal zijn voordat er iemand zal zijn die haar troost.