De woorden van God de Vader tot het hemelse leger, en het antwoord van de Zoon, genade vragend voor zijn dochter, de kerk.
BOEK 1 - HOOFDSTUK 24

De Vader sprak, terwijl het gehele hemelse leger luisterde, en hij zei: "Ik heb een klacht tegen u dat ik mijn dochter aan een man heb gegeven die haar verschrikkelijk doet lijden en haar voeten aan een houten paal vastbindt, zodat het beenmerg helemaal uit haar voeten is verdwenen. “De Zoon antwoordde hem: “Vader, ik heb haar vrijgekocht met mijn bloed en haar met mezelf verloofd, maar nu is ze door geweld in beslag genomen.” Toen sprak de Moeder, zeggende: “U bent mijn God en mijn Heer. Mijn lichaam droeg de ledematen van uw ware Zoon en mijn ware Zoon. Ik heb hem niks gewijgerd op aarde. Heb omwille van mijn gebeden, medelijden met Uw dochter.” Hierna spraken de engelen, zeggend: “U bent onze Heer. In U bezitten wij alle goede dingen en we hebben niets anders dan U nodig.

Toen Uw bruid uit u is voortgekomen, waren we allen verheugd. Maar nu hebben we reden om verdrietig te zijn, want ze heeft zichzelf overgegeven in de handen van de kwaadste mannen die haar beledigen met allerlei beledigingen en misbruik. Heb dus medelijden met haar blijkens Uw genade, omdat ze in ontzettende grote ellende verkeert en er is niemand die haar troost en bevrijdt, behalve U, Heer, Almachtige God.” Toen antwoordde de Vader de Zoon, zeggend: “Zoon, jouw beklag is mijn beklag, jouw woord is mijn woord, jouw werken mijn werken. Je bent in mij en Ik ben onafscheidelijk in jou. Moge je wil geschiede!” Toen zei hij tegen de Moeder van de Zoon: “Omdat je me op aarde niks hebt geweigerd, zal ik je in de hemel niks weigeren. Je wil zal worden vervuld.” Hij zei tegen de engelen: “Jullie zijn mijn vrienden, en de vlam van jullie liefde brandt in mijn hart. Ik zal mijn dochter omwille van jullie gebeden mijn genade tonen.”