| De woorden van God de Vader tot het hemelse leger, en het antwoord van de Zoon, genade vragend voor zijn dochter, de kerk. |
| BOEK 1 - HOOFDSTUK 24 |
|
De Vader sprak, terwijl het gehele hemelse leger luisterde, en hij zei: "Ik heb een klacht tegen u dat ik mijn dochter aan een man heb gegeven die haar verschrikkelijk doet lijden en haar voeten aan een houten paal vastbindt, zodat het beenmerg helemaal uit haar voeten is verdwenen. “De Zoon antwoordde hem: “Vader, ik heb haar vrijgekocht met mijn bloed en haar met mezelf verloofd, maar nu is ze door geweld in beslag genomen.” Toen sprak de Moeder, zeggende: “U bent mijn God en mijn Heer. Mijn lichaam droeg de ledematen van uw ware Zoon en mijn ware Zoon. Ik heb hem niks gewijgerd op aarde. Heb omwille van mijn gebeden, medelijden met Uw dochter.” Hierna spraken de engelen, zeggend: “U bent onze Heer. In U bezitten wij alle goede dingen en we hebben niets anders dan U nodig.
|