De woorden van de Maagd tot de dochter over twee vrouwen, waarvan de ene Trots genoemd werd en de andere Nederigheid. De laatstgenoemde symboliseert de meest zoete Maagd en over hoe de Maagd deze twee ontmoet bij het uur van hun dood.
BOEK 1 – HOOFDSTUK 29

De Moeder van God sprak tot de bruid van de Zoon, zeggend: “Er zijn twee vrouwen. Een van hen heeft geen speciale naam, want ze verdient geen naam, de andere is Nederigheid, en ze heet Maria. De duivel is meester over de eerste vrouw want hij overheerst haar. Een van haar ridders zei tegen deze vrouw: “Mevrouw, ik ben bereid alles voor je te doen wat ik kan, als ik slechts één keer de liefde met je mag bedrijven. Ik ben immers machtig, sterk en moedig van hart, ik ben voor niets bang en ben klaar om voor je te sterven.” Zij antwoordde hem: “Mijn dienaar, je liefde is groot. Ik zit echter op een hoge troon en heb alleen deze troon en er zijn drie poorten tussen ons.

De eerste poort is zo smal, dat wat een man ook draagt op zijn lichaam het eraf wordt getrokken en scheurt als hij er binnengaat. De tweede is zo scherp dat het door de pezen snijdt. De derde poort brandt met zo’n vuur dat er niet aan de hitte valt te ontsnappen, maar iedereen die erdoor naar binnen gaat juist snel versmelt zoals koper. Overigens zit ik zodanig hoog dat iedereen die met mij wil zitten - want ik heb alleen deze ene troon - naar beneden zal dalen in de grote diepten van chaos onder me.” De ridder antwoordde haar: “Ik geef mijn leven voor u, want een val naar beneden betekent niets voor me.”

Deze dame is trots en iedereen die tot haar wil komen zal als het ware door drie poorten gaan. Door de eerste poort komt de persoon die alles geeft dat hij bezit om menselijke eer te ontvangen omwille van trots. Als hij niets bezit, streeft hij ernaar zijn gehele wil te vervullen zodat hij trots kan leven en eer voor zich kan winnen. Door de tweede poort komt een persoon binnen die al zijn werk en alles wat hij doet, al zijn tijd en al zijn gedachten en al zijn kracht richt op zijn trots. En zelfs als hij zijn lichaam moet verwonden omwille van zijn eer en rijkdom, doet hij dat met genoegen. Door de derde deur komt de persoon binnen die nooit rustig en stil is, maar als vuur brandt met de gedachte over hoe hij wereldse eer of een staat van trots kan bemachtigen.
Maar als zijn wens wordt vervuld, kan hij niet lang in dezelfde staat blijven, want hij zal een rampzalige val maken. Toch is er nog steeds trots in de wereld.”

“Ik ben,” zei Maria, “degene die het meest nederig is. Ik zit op een grote troon. Boven me is er geen zon noch maan, noch sterren, noch wolken, maar een prachtige en onvoorstelbare stralende helderheid die voortspruit uit de prachtige schoonheid van de Goddelijke hoogheid. Onder me is er geen aarde noch steen, maar onvergelijkbare rust in Gods goedheid. Rond mij zijn er geen wanden noch muren, maar de glorierijke heerschaar van engelen en heilige zielen. Hoewel ik op zo’n verheven troon zit, hoor ik nog steeds mijn vrienden die op aarde leven, die dagelijks hun tranen uitstorten over me. Ik zie hun strijd en werken, die groter zijn dan die van degenen die voor hun vrouw Trots vechten.

Ik zal hen dan ook bezoeken en ze samenbrengen bij mijn troon, omdat hij groots is en ruimte heeft voor iedereen. Echter kunnen zij nog niet bij me komen zitten, want er zijn nog steeds twee muren tussen ons waardoor ik ze vertrouwelijk zal leiden zodat ze bij mijn troon kunnen komen. De eerste muur is de wereld die smal is. Daarom zullen mijn dienaren in de wereld door mij troost ontvangen. De tweede is de dood. Daardoor zal ik, hun meest liefdevolle vrouw en Moeder hen ontmoeten en bij ze komen bij hun dood, zodat zij zelfs in hun dood zelf worden opgefrist en getroost. Ik zal ze met me samenbrengen op de troon van hemelse vreugde, zodat ze in oneindige vreugde, voor eeuwig mogen rusten in de armen van eeuwigdurende liefde en eeuwige roem.”