Christus leert de bruid over de manier om te leven. Ook over hoe de duivel toegeeft dat de bruid van Christus houdt boven alles. En over de de duivel die Christus vraagt waarom hij zoveel van haar houdt en hij openbaart de liefde die Christus heeft voor de bruid.
BOEK 1 – HOOFDSTUK 34

Ik ben de Schepper van hemel en aarde, die ware God en waarachtig mens was in de Maagd van de baarmoeder, die stierf en verrees en opgestegen is naar de hemel. Jij, mijn bruid, bent naar een onbekende plaats gekomen. Daarom moet je vier dingen leren: ten eerste, de taal van de plaats; ten tweede, hoe je je gepast kleed, ten derde, hoe je je dagen en tijd inricht naargelang de aard van de plaats; ten vierde, te wennen aan nieuw soort voedsel.

Aangezien je uit de instabiliteit van de wereld in stabilitiet komt, moet je een nieuwe taal leren, dat wil zeggen, hoe je je onthoudt van nutteloze woorden en zelfs van de toegestane, gezien het belang van stilte en rust. Je moet gekleed zijn in innerlijke en uiterlijke nederigheid, zodat je jezelf niet innerlijk verheft als zijnde heiliger dan anderen, noch uiterlijk beschaamd zijn om je nederig op te stellen in het openbaar. Ten derde, moet je tijd zodanig ingedeeld zijn dat, net zoals het vaak gebruikelijk voor je was om tijd te maken voor de behoeften van het lichaam, je nu dus alleen tijd moet hebben voor de ziel en nooit tegen me wil zondigen. Ten vierde is het verstandig je te onthouden van vraatzucht en van lekkernijen, voor zover je menselijke natuur het kan verdragen. Daden van onthouding die buiten het natuurlijke vermogen reiken, bevallen mij niet, want ik vraag in redelijkheid opdat de lusten worden getemd.

Toen de duivel opeens verscheen, zei de Heer tegen hem: “Je bent door mij geschapen en zag alle rechtvaardigheid in mij. Vertel me of deze bruid rechtmatig de mijne is door bewezen recht. Ik sta je toe om haar hart te begrijpen, zodat je zult weten hoe je me kunt antwoorden. Houdt ze van iets anders buiten mij of zou ze alles nemen in ruil voor mij?” De duivel antwoordde hem: “Ze houdt nergens van zoals ze van u houdt. Liever dan u te verliezen zou ze elke kwelling ondergaan, mits u haar de deugd van geduld geeft. Ik zie een soort van brandend verbond op haar neerdalen van u dat haar hart zo veel verbindt met u dat ze aan niets anders denkt en van niemand anders houdt dan u.”

Toen zei de Heer tegen de duivel: “Vertel me wat je in je hart voelt en wat je van deze grote liefde vindt die ik voor haar heb.” De duivel antwoordde: “Ik heb twee ogen, een van hen is lichamelijk, ook al ben ik niet lichamelijk, waardoor ik tijdelijke zaken zo duidelijk waarneem dat er niets zo verborgen of donker is dat het zich kan verbergen voor me. Het tweede oog is een spirituele waar ik elk leed zie, hoe klein het ook is, en kan begrijpen tot welke zonde het behoort. Er is geen zonde die zo vaag en klein is dat ik het niet kan zien, tenzij hij door boetedoening is gelouterd. Hoewel er echter geen organen zijn die gevoeliger dan de ogen zijn, zou ik toch nog veel liever twee brandende fakkels mijn ogen onafgebroken laten doodringen dan dat zij met de ogen van de geest ziet.

Ik heb ook twee oren. Een van hen is lichamelijk, en niemand kan zo geheimelijk spreken dat ik het niet kan horen met dit oor. De tweede is een geestelijk oor en geen enkele gedachten of voornemens tot zonden kunnen ooit zo verborgen zijn, dat ik ze niet hoor, tenzij ze zijn gelouterd door boetedoening. Er is een bepaalde straf in de hel die als een kolkende geweldadige stroom is die uit een verschrikkelijk heet vuur stroomt. Ik zou liever deze martelende stroom onophoudend in en uit mijn oren laten gaan, dan dat zij iets zou horen met haar oren van de geest. Ik heb ook een geestelijk hart. Ik zou het onophoudend in stukken laten snijden en voortdurend vernieuwen in dezelfde straffen, alleen maar om haar hart weer te koelen in de liefde voor u.

Maar nu, omdat u eerlijk handelt, laat me u een vraag stellen die u mij beantwoordt. Vertel me, waarom houdt u zoveel van haar en waarom verkoos u niet een heiliger, rijker en mooier iemand voor uzelf?” De Heer antwoordde: “Omdat dat is wat rechtvaardigheid vereiste. Jij was door mij geschapen en zag alle rechtvaardigheid in mij.

Vertel me, terwijl ze luistert, waarom het rechtvaardig was dat je zo diep viel en wat je dacht toen je viel.” De duivel antwoordde: “Ik zag drie dingen in u: Ik zag uw roem en eer boven alle dingen en ik dacht aan mijn eigen eer. Daarom was ik vastbesloten in mijn trots, niet alleen om gelijk aan u te zijn, maar zelfs groter dan u. Ten tweede zag ik dat u de machtigste van allen was. Daarom verlangde ik ernaar om machtiger te zijn dan u. Ten derde zag ik wat er in de toekomst zou gaan gebeuren en, omdat uw roem en eer zonder begin en zonder einde zou zijn, benijdde ik u en dacht ik dat ik met plezier voor eeuwig gemarteld zou worden met alle mogelijke wrede straffen als u maar dood kon gaan. Met zulke gedachten viel ik. En op die manier was de hel gemaakt.”

De Heer antwoordde: "Je vroeg me waarom ik zoveel van deze vrouw houd. Voorwaar, het is omdat ik al je kwaad in goed verander. Omdat je trots werd en mij, je Schepper, niet wilde hebben als een gelijke, dus vernederde ik mezelf in elk opzicht, verzamel ik zondaars voor mezelf en maak mezelf hun gelijke door mijn heerlijkheid met hen te delen. Ten tweede, omdat je zo’n grondig verlangen had om machtiger te zijn dan ik, maak ik zondaars machtiger dan jou en deel al mijn macht met hen. Ten derde, omdat je jaloers op me bent, ben ik zo vol van liefde dat ik mezelf heb opgeofferd voor iedereen.”

Toen zei de Heer: “Nu, duivel, is je hart van duisternis in het licht gezien. Vertel me, terwijl ze luistert, hoeveel ik van haar houd.” De duivel zei: “Als het mogelijk was, zou je gemakkelijk weer, liever dan haar te verliezen, in iedere ledemaat dezelfde pijn lijden als dat je eens aan het kruis in al je ledematen tegelijk leed.” Toen antwoordde de Heer: “Als ik dus zo barmhartig ben, weiger ik aan niemand die het vraagt vergiffenis, vraag me in nederigheid om genade voor jezelf en ik zal het je geven.” De duivel antwoordde hem: “Dat zal ik geen geval doen. Op het moment van mijn val, werd een straf vastgesteld voor iedere zonde, voor elke waardeloze gedachte of elk waardeloos woord. Elke geest die gevallen is zal zijn straf krijgen.
Liever dan voor u te knielen, slik ik alle straffen voor mezelf, zolang mijn mond kan openen en sluiten voor straffen en voor altijd weer verlengd zal in straf.

Toen zei de Heer tot zijn bruid: “Zie hoe verhard de prins van de wereld is en hoe krachtig hij tegen mij is door de verborgen rechtvaardigheid. Ik kon hem zeker vernietigen in een seconde door middel van mijn macht, maar ik schaad hem niet meer dan een goede engel in de hemel. Als zijn tijd komt, die nu nadert, zal ik hem en zijn aanhangers veroordelen. Dus, mijn bruid, volhard in goede werken. Hou van me met heel je hart. Vrees niemand anders dan mij. Want ik ben de Heer over de duivel en over alles dat bestaat.