De woorden van de Moeder tot de bruid waarin ze de voortreffelijkheid van haar Zoon beschrijft en hoe Christus nu wreder wordt gekruisigd door zijn vijanden, de slechte Christenen, dan dat hij door de Joden werd, en over hoe, als gevolg daarvan zulke mensen een wredere en bitterdere straf ontvangen.
BOEK 1 – HOOFSTUK 37

De Moeder zei: “Mijn zoon had drie goede dingen. Het eerste was dat niemand ooit zo’n verfijnd lichaam had als hij, aangezien hij twee perfecte naturen had, zijn goddelijke en zijn menselijke; en hij was zo eerlijk dat, net zoals er geen vlek gevonden kan worden in de helderste ogen, er zo geen enkele fout op zijn lichaam gevonden kon worden. Het tweede goede ding was dat hij nooit zondigde. Andere kinderen dragen soms zowel de zonden van hun ouders als die van henzelf. Dit kind zondigde nooit, maar droeg niettemin de zonden van iedereen. Het derde goede ding was dat, terwijl sommige mensen doodgaan omwille van God en hun grotere beloning, hij net zoveel doodging omwille van zijn vijanden als omwille van mij en zijn vrienden.

Toen zijn vijanden hem kruisigden, deden ze vier dingen met hem. Ten eerste hebben ze hem met doornen gekroond; ten tweede, nagelden ze zijn handen en voeten; ten derde gaven ze hem gal te drinken; ten vierde doorboorden ze zijn zij. Maar mijn verdriet is, dat zijn vijanden die nu in de wereld zijn, mijn Zoon wreder kruisigen dan de Joden hem hebben gekruisigd. Ook al mag je zeggen dat hij nu niet kan lijden en doodgaan, toch kruisigen ze hem door hun ondeugden. Een man kan het beeld van een vijand van hem beledigingen en verwonden en alhoewel het beeld niet de schade voelt die het wordt aangedaan, dient de dader niettemin te worden beschuldigd en vervolgd vanwege zijn kwaadaardige voornemens om het te verwonden. Ook zijn de ondeugden waarmee ze mijn Zoon kruisigen op een geestelijke manier afschuwelijker en serieuzer voor hem dan de ondeugden van degenen die hem in het lichaam hebben gekruisigd.

Maar misschien vraag je je af: “Hoe kunnen ze hem kruisigen?” Nou, ten eerste zetten ze hem aan het kruis dat ze voor hem hebben opgesteld. Dit is wanneer ze kennis nemen van de leefregels van hun Schepper en Heer. Dan onteren ze hem wanneer hij hen waarschuwt via hun dienaars die hem dienen en verachten ze dit en doen ze zoals ze zelf willen. Ze kruisigen zijn rechterhand door rechtvaardigheid met onrechtvaardigheid te verwarren, zeggend: “Zonde is niet zo ernstig en verfoeilijk voor God als wordt gezegd, noch straft God iemand voor eeuwig, maar zijn dreigementen zijn slechts om ons bang te maken. Waarom zou hij ons verlossen als hij wil dat we omkomen?” Ze overwegen niet dat de minstgeringe zonde waarin een persoon zich verheugd genoeg is om hem of haar voor eeuwig te straffen. Aangezien God de minstgeringe zonde niet onbestraft laat, noch het minste goede onbeloond laat, zullen zij altijd een straf krijgen voor zover als ze een voortdurend voornemen hebben om te zondigen, en mijn Zoon, die met zijn hart ziet, rekent dat aan als een daad. Want zij zouden hun voornemen uitvoeren, als mijn Zoon het toeliet.

Ze kruisigen zijn linkerhand door deugden om te zetten in ondeugden. Ze willen tot het einde blijven zondigen, zeggend: “Als we op het eind gewoon zeggen “God, ontferm u over mij! God’s genade is zo groot dat hij ons vergiffenis zal schenken.” Het is geen deugd om te willen zondigen zonder verbeteringen te maken, de prijs te willen zonder er voor gewerkt te hebben, tenzij er enige wroeging in het hart is, tenzij een persoon zijn wegen echt wil herstellen, als hij het kon doen ware het niet vanwege ziekte of een andere belemmering. Ze kruisigen zijn voeten door genot te hebben in het zondigen zonder ook maar één keer aan mijn Zoon’s bittere straf te denken of zonder hem eenmaal te bedanken vanuit het diepste van hun hart zeggend: “God, u heeft zo bitter geleden. Alle lof komt u toe vanwege uw dood.” Zulke woorden komen nooit over hun lippen.

Ze kronen hem met een kroon van spot door zijn dienaars te bespotten en denken dat het zinloos is om Hem te dienen. Ze geven hem gal te drinken wanneer ze zich verheugen en juichen over zonde. De gedachte over hoe serieus en afschuwelijk zonde is komt nooit bij hen op. Ik vertel je de waarheid, mijn dochter, en je kunt dit aan mijn vrienden vertellen, dat in de ogen van mijn Zoon zulke mensen onrechtvaardiger zijn dan de mensen die hem veroordeelden, ergere vijanden dan zij die hem kruisigden, schaamtelozer dan zij die hem verkochten. Zij verdienen een grotere straf dan de anderen.

Pilatus wist inderdaad goed dat mijn Zoon niet gezondigd had en de dood niet verdiende. Omdat hij echter vreesde zijn tijdelijke macht te verliezen en de opstand van de Joden, veroordeelde hij mijn Zoon tot de dood. Wat zouden deze mensen te vrezen hebben als ze hem dienden? Of welke eer of voorrecht zouden ze verliezen als ze hem eerden? Ze zulllen derhalve een zwaardere straf ontvangen, in de ogen van mijn Zoon, erger dan Pilatus.

Pilatus veroordeelde hem vanwege angst, in overeenstemming met het verzoek en de intentie van anderen. Deze mensen veroordelen hem voor hun eigen voordeel en zonder enige angst, door hem te schande te maken door middel van zonde waar ze zich van konden onthouden als ze het wilden. Maar ze onthouden zich niet van zonde, ook schamen ze zich niet over hun reeds begane zonden, omdat ze niet nadenken over hun onwaardigheid over de vriendelijkheid van degene die ze niet dienen. Zij zijn erger dan Judas, omdat Judas, nadat hij de Heer had verraden, erkende dat hij God was en dat hij zelf zwaar gezondigd had tegen Hem. Hij was echter wanhopig en versnelde zijn dagen naar de hel, denkend dat hij het niet waard was om te leven.

Deze mensen herkennen hun zonde en toch volharden zij erin zonder enige wroeging erover in hun harten. Ze willen liever het rijk der hemelen nemen door een soort van geweld en kracht, denkend dat zij het niet door hun daden kunnen verkrijgen maar door ijdele hoop – ijdel omdat het aan geen enkelen wordt gegeven, behalve degenen die ervoor werken en offers brengen voor God. Ze zijn slechter dan degene die hem kruisigden. Toen de laatstgenoemden de goede werken van mijn Zoon zagen, zoals het verrijzen van de doden en het genezen van lammen, dachten ze bij zichzelf: “Deze man werkt ongehoord en verricht buitengewone wonderen, die iedereen overkomt door de wil met een woord, onze gedachten kennende, die alles doet waar hij maar zin in heeft. Als hij het op zijn manier kan doen, moeten we ons allemaal aan zijn macht onderwerpen en worden we zijn ondergeschikten.” In plaats van zich aan hem te onderwerpen, kruisigden ze hem daarom uit afgunst.

Maar indien zij hadden geweten dat hij de Koning van glorie was, zouden zij hem nooit hebben gekruisigd. Deze mensen, aan de andere kant, zien elke dag zijn grote werken en wonderen, zij profiteren van zijn goedheid. Ze horen over hoe zij hem zouden moeten dienen en komen naar hem, maar ze denken bij zichzelf: “Het zou zwaar en ondraaglijk zijn om al onze tijdelijke goederen op te geven, om zijn wil te volbrengen en niet de onze.” Zodoende verachten ze Zijn wil en plaatsen ze hun eigen wil hoger, en kruisigen ze mijn Zoon door hun halsstarrigheid, zonde voor zonde opstapelend tegen hun geweten in. Ze zijn slechter dan degenen die Hem hebben gekruisigd, aangezien de Joden handelden uit jaloezie en omdat ze niet wisten dat hij God was. Deze weten echter dat hij God is en, uit eigen goddeloosheid, vermoeden en hebzucht, kruisigen ze hem op een geestelijke manier, harder dan de anderen op lichamelijke wijze deden, omdat deze mensen vrijgekocht zijn, terwijl die anderen nog niet zijn vrijgekocht. En zo, bruid, gehoorzaam en vrees mijn Zoon, want, zo genadevol als hij is, hij is ook rechtvaardig.