De Schepper stelt drie vragen aan de bruid: eerst over de dienstbaarheid van de echtgenoot en het domein van de echtgenote; ten tweede over het werk van de echtgenoot en de uitgaven van de echtgenote; ten derde over de Heer die veracht wordt en de dienares geëerd.
BOEK 1 – HOOFDSTUK 40

Ik ben uw Schepper en uw Heer. Antwoord mij op de drie vragen, die ik je zal stellen. Hoe is de toestand in een huis, waar de huisvrouw als vrouw gekleed is en haar echtgenoot als slaaf? Zou dat welvoeglijk zijn?” Zij antwoordde volgens haar geweten: “Nee, Heer, betamelijk is het niet.”
En de Heer zei: “Ik ben de Heer over alle dingen en de Koning der engelen, ik kleedde mijn dienaar, hiermee bedoel ik mijn menselijke natuur, slechts in zover het nuttig en nodig was. Ik zocht, of verlangde in deze wereld niets anders dan eenvoudige kost en klederen. Maar jij, die mijn bruid bent, je wilt vorstelijke rijkdommen en roem bezitten en met eer behandeld worden. Waartoe dienen al deze dingen? Al deze dingen zijn ijdel en moeten worden achtergelaten. De mens was niet geschapen om overvloed te genieten, maar alleen te bezitten wat de natuur vereist. Maar de hoogmoed schiep de overvloed, die nu bemind wordt en als de norm wordt beschouwd.

Ten tweede zeg mij, zou het passend zijn dat de man van ’s morgens tot ‘s avonds werkt en de vrouw in een kort ogenblik alles verkwist?” Zij antwoordde: “Betamelijk is het niet. De vrouw zal leven en doen volgens de wil van de man.” En de Heer zei: “Ik werkte als de man ’s ochtends tot ‘s avonds. Ik werkte van mijn jeugd tot aan mijn lijden. En ik wees en toonde de weg naar de hemel en bekrachtigde dit door mijn daden en het woord dat ik predikte. En de vrouw, dat is de menselijke ziel, die als mijn vrouw moest zijn, verkwist de opbrengst van mijn werk, als zij lichtzinnig leeft, zodat zij geen voordeel trekt uit wat ik gedaan en geleden heb ter wille van haar. En ik vind in haar geen deugd, waarin ik mij met haar verheugen kan.

Ten derde zeg mij: Als in een huis de heer geminacht wordt en de dienares vereerd wordt, is dat niet ongepast en misplaatst?” Zij antwoordde: “Dat is het inderdaad.” De Heer antwoordde: “Ik ben de Heer over alle dingen; mijn huis is de wereld en de mens moeten terecht mijn dienaren zijn. Maar ik, de Heer, word in de wereld geminacht en de mens geëerd. Daarom zul jij, die ik uitverkoren heb, je best doen om mijn wil te volvoeren, want alles, wat in de wereld is, is niets anders dan het schuim der zee en wat even ijdel is.