Vermanende woorden van de Maagd tot de bruid over hoe ze haar Zoon moet liefhebben boven alles en over hoe elke deugd en genade in de glorieuze Maagd aanwezig is.
BOEK 1 – HOOFDSTUK 42

De moeder sprak: “Ik had drie deugden waarmee ik mijn Zoon behaagde. Ik had zo’n nederigheid dat geen schepsel, danwel engel of mens, nederiger was dan ik. Ten tweede was ik gehoorzaam doordat ik ernaar streefde om mijn Zoon in alle dingen te gehoorzamen. Ten derde had ik een bijzondere liefde. Om deze redenen heb ik een drievoudige eer ontvangen van mijn Zoon. Ten eerste werd mij meer eer gegeven dan engelen en de mens, zodat er geen enkele deugd in God is die niet in mij schijnt, ook al is hij de bron en Schepper van alle dingen. Maar ik ben het schepsel aan wie hij, in vergelijking met anderen, de meeste genade heeft toegekend.

Ten tweede, verwierf ik in ruil voor mijn gehoorzaamheid een dusdanig vermogen dat er geen zondaar, hoe onzuiver ook, die geen vergiffenis krijgt als hij zich tot mij richt met een berouwvol hart en de bedoeling zich te verbeteren. Ten derde heeft God zich, in ruil voor mijn naastenliefde, me zo dicht bij zich getrokken dat wie God ziet, mij ziet, en wie mij ziet, ziet de goddelijke en menselijke natuur in mij en mij in God als in een spiegel. Want wie God ziet, ziet drie personen in hem en wie mij ziet, ziet als het ware drie personen. Want God heeft me in ziel en lichaam tot zichzelf gebonden en heeft me gevuld met iedere deugd, zodat er geen deugd in God is die niet uitblinkt in mij, ook al is God de Vader en brenger van alle deugden. Zoals met een siamese tweeling – de een ontvangt wat de ander ook ontvangt – zo heeft God met mij gedaan, want er bestaat geen heerlijkheid die niet in mij is.

Het is als iemand die een noot heeft en een deel ervan deelt met een ander persoon. Mijn ziel en lichaam zijn puurder dan de zon en schoner dan een spiegel. Vandaar dat, net zoals drie personen in een spiegel gezien zouden worden als ze voor me stonden, zo kunnen ook de Vader en Zoon en Heilige Geest in mijn puurheid gezien worden. Eens had ik mijn Zoon samen met zijn goddelijke natuur in mijn schoot. Nu wordt hij in mij gezien met zowel zijn goddelijke en menselijke natuur als in een spiegel, omdat ik ben verheerlijkt. Dus, bruid van mijn Zoon, tracht mijn nederigheid te imiteren en houd van niets anders dan mijn Zoon.”