De woorden van de Zoon tot de bruid over hoe mensen stijgen van het kleine goede tot het hoogste goed en omlaag vallen van klein kwaad tot de grootste straffen.
BOEK 1 – HOOFDSTUK 43

De zoon zei: “Soms kan een grote beloning voortvloeien uit een beetje goed. De dadelpalm heeft een heerlijke geur en in zijn vrucht zit een pit. Als dit zaad in rijke bodem wordt geplant, kiemt, bloeit en groeit het tot een kleine boom. Maar als het geplant wordt in een onvruchtbare bodem, droogt het uit. De bodem die zich verheugt in zonde is volstrekt onvruchtbaar van goedheid. Als het zaad van de deugden daar wordt gezaaid, ontkiemt het niet. Rijk is de bodem van het verstand die zijn zonde kent en erover klaagt gezondigd te hebben. Als de dadelpit, dat wil zeggen, de gedachte aan mijn strenge oordeel en macht, daar gezaaid is, betreft het drie wortels van het verstand. De eerste wortel is de realisatie dat een persoon niks kan doen zonder mijn hulp, dus hij opent zijn mond en verzoekt mij.

De tweede wortel begint met het geven van een aantal kleine aalmoezen omwille van mijn naam. De derde wortel is om je terug te trekken van je eigen zaken om zo mij te kunnen dienen. De persoon begint vervolgens het vasten, onthouding en zelfverloochening te oefenen: dit is de stam van de boom. Daarna groeien de takken van liefdadigheid, daar hij eenieder die hij kan, naar het goede leidt. Dan groeit de vrucht wanneer hij anderen onderwijst vanuit zijn kennis en wijdt zich helemaal toe aan het vinden van wegen om mij meer glorie te geven.

Dit soort fruit is het meest bevredigend voor me. Op deze manier stijgt iemand vanuit een klein begin op tot perfectie. Zoals het zaad wortels laat groeien door een beteje vroomheid, zo groeit het lichaam door onthouding, the takken vermenigvuldigen zich door liefdadigheid, de vrucht groeit voller door het preken. Op dezelfde manier, daalt een persoon af van klein kwaad tot de grootste verdoemenis en straf. Weet je wat de grootste last is voor groeiende dingen? Natuurlijk is dat de last van een kind die geboren gaat worden maar niet kan worden afgeleverd en in de baarmoeder van de moeder doodgaat en de moeder ook breekt en eraan dood gaat en de vader haar naar het graf brengt en haar begraaft samen met de bedorven vrucht. Dit is wat de duivel doet met de ziel.

De onzedelijke ziel is als de vrouw van de duivel en zijn wil in alles volgt. Ze ontvangt een kind door de duivel door genot te nemen in zonde en zich erin te verheugen. Net zoals de moeder zwanger wordt van een kind en de vrucht baart door een klein zaad dat helemaal bedorven is, zo draagt ook de duivel veel vrucht door zich te vermaken in zonde. Daarna worden de kracht en ledematen van het lichaam gevormd wanneer zonde op zonde wordt toegevoegd en dagelijks toeneemt. Ze wil bevallen, maar het lukt niet, want haar natuur is verbruikt in de zonde en het leven wordt vermoeiend. Ze zou liever doorgaan met zondigen, maar dat kan ze niet en God staat het niet toe.

Vervolgens slaat de angst toe, omdat ze haar wil niet kan uitdragen. Kracht en vreugde zijn verdwenen. Ze is omgeven van zorgen en verdriet. Dan barst haar baarmoeder, omdat ze wanhoopt of zij in staat is om goed te doen. En ze sterft terwijl ze kwaad spreekt over God en Zijn rechtvaardigheid verwijten toewerpt. En zo wordt ze door de duivel, de vader van het kind, omlaag naar het graf van de hel geleid waar ze voor altijd begraven wordt met de bedorvenheid van haar zonden en het kind van haar verdorven plezier. Je ziet dus dat vanuit kleine beginnetjes de zonde toeneemt en uitgroeit tot verdoemenis.”