De wederzijdse woorden van zegen en lof van de Moeder en de Zoon, en over hoe de Moeder haar Zoon aanroept tot Zijn barmhartigheid voor de zondaars in het vagevuur en op de aarde.
BOEK 1 – HOOFDSTUK 50

De Konigin van het hemelrijk sprak tot haar Zoon: “O mijn Zoon, gezegend zij je naam, zonder einde in uw goddelijke natuur, die zonder begin en zonder einde is. In je goddelijkheid zijn drie wonderbare dingen: macht, wijsheid en goedheid. Je macht is als het krachtigste brandende vuur, waarbij alles wat vast is en sterk, als droog stro is. Je wijsheid is als de zee, die onuitputtelijk is en die dalen en bergen bedekt als zij opstijgt en overstroomt. Zo is ook je wijsheid niet te stuiten en onuitputtelijk.

Hoe wijs schiep je de mens en plaatste hem boven alle schepselen. En met welke wijsheid plaatste je de vogels in de lucht, de dieren op de aarde, de vissen in de zee, hen alles op de juiste tijd en heb je alles geregeld! Hoe wonderlijk geef en ontneem je allen niet het leven! Hoe wijs geef je de onwetenden wijsheid en ontneem je hun de hoogmoed. Je goedheid is als het licht van de zon, die in de hemel schijnt en de aarde met haar licht vervult. Zo verzadig je het hoogste en het laagste en vervul je alles met je goedheid. Daarom ben je gezegend, mijn Zoon, want je bent mijn God en mijn Heer!”

De Zoon antwoordde: “O mijn liefste Moeder, je woorden zijn mij zoet, want zij komen voort uit je ziel. Je bent als het morgenrood, dat in volle helderheid verschijnt. Je straalt over alle hemelen, je licht en helderheid overtreffen die van alle engelen. Met je helderheid trok je de ware zon naar je toe, dat is mijn goddelijke natuur, zozeer dat de zon van mijn goddelijkheid, in je kwam en zich in je vestigde, waardoor je liefde voor mij warmer werd dan die van alle anderen; en door mijn glans werd je verlicht in mijn wijsheid meer dan alle anderen. De duisternis van de aarde werd erdoor verdreven en verjaagd en alle hemelen verlicht.

Ik zeg je, dat je reinheid, die mij meer behaagde dan alle engelen, mijn godheid tot je trok, opdat je ontstoken zou worden door de gloed van mijn Geest. Hierin baarde je de ware God en mens verborgen in je schoot, waardoor de mensheid verlicht werd en de engelen vervuld van vreugde. Daarom ben je gezegend door je gezegende Zoon. En daarom zal geen enkel gebed van je ooit tot mij komen zonder verhoord te worden. En allen die door jou en ter wille van jou, die bidden om erbarming, en als zij zich ernstig voornemen hun zonden te beteren, zullen genade ontvangen.

Want evenals de warmte van de zon uitgaat, wordt allen genade gegeven door jou. Want je bent als een volle, vloeiende bron, waaruit erbarming vloeit voor de rampzaligen.”
De Moeder antwoordde de Zoon opnieuw: “Je bent alle kracht en eer, mijn Zoon! Je bent mijn God en mijn barmhartigheid. Al het goede dat ik heb komt van jou.
Je bent als zaad, dat nooit gezaaid werd en toch opgroeide en honderdvoudig en duizendvoudig vruchten gaf, omdat alle barmhartigheid van je uitgaat, en omdat die onberekenbaar en onuitsprekelijk is, moet die wel aangeduid worden met het getal honderd wat volmaaktheid betekent, want alle volmaaktheid is van jou. En een ieder die volmaakt is, heeft de kracht van volmaaktheid van jou.”

De Zoon antwoordde de Moeder: “Inderdaad, mijn Moeder, je hebt me terecht met het zaad, dat niet gezaaid werd en toch opwies,vergeleken, want ik kwam met mijn godheid in je, en mijn mensheid werd niet gezaaid door paring, en toch groeide ik in je op en barmhartigheid vloeide uit je voor alle mensen. Daarom heb je goed gesproken. Nu dat je mij door je zoete woorden van je mond tot barmhartigheid neigt, vraag me wat je wilt en het zal je gegeven worden.”

De Moeder antwoordde: “ Mijn Zoon, omdat ik barmhartigheid van je kreeg, bid ik om hulp voor de ongelukkigen. Tenslotte zijn er vier plaatsen. De eerste is het hemelrijk, waar de zielen van de engelen en heiligen niets nodig hebben buiten jou, sinds zij met jou al het goede bezitten. De tweede is de hel, en zij die daar verblijven zijn vol boosheid en uitgesloten van alle barmhartigheid. Daarom kan verder niets goeds tot hen komen. De derde plaats is van hen die gereinigd zullen worden, het vagevuur. Zij behoeven drievoudige barmhartigheid, want zij worden drievoudig gepijnigd. Het gehoor wordt gepijnigd, want zij horen niets anders dan kwellingen, ellende en jammer. Het gezicht wordt gekweld, want zij zien niets dan hun eigen ellende; het gevoel wordt geplaagd, want zij voelen de hitte van een vreselijk vuur en wrede pijnen. O, mijn Heer, o mijn Zoon, geef hun je barmhartigheid ter wille van mijn gebeden.”

De Zoon antwoordde: “Graag zal ik hun, ter wille van jou, drievoudig barmhartigheid geven. Eerst zal het gehoor minder gepijnigd worden en wat zij zien, zal zachter worden, en de pijn lichter en minder. En bovendien zal een ieder, die op dit ogenblik de zwaarste en grootste vagevuurpijnen lijdt, in de middelse komen, en die in de middelste zijn, zullen in de lichtste komen, en die in de lichtste zijn, zullen te rusten gaan.”

De Moeder antwoordde: “O, mijn Heer, U zij lof en eer!” En dadelijk daarop zeide zij tot de Zoon: “O, mijn dierbare Zoon, de vierde plaats is de wereld, waarvan de bewoners drie dingen behoeven: ten eerste berouw over hun zonden, ten tweede genade en kracht om zich te beteren, ten derde sterkte in goede werken te doen.”

De Zoon antwoordde: “Een ieder, die jouw naam aanroept en zijn hoop op je bouwt met het voornemen zijn zonden te beteren, zal deze drie dingen verkrijgen en daarbij het Koninkrijk der hemelen. Want zo zoet zijn je woorden, dat ik niet weigeren kan waarom je smeekt. Want je wilt niets anders, dan wat ik wil. Je bent voorwaar als een lichtende en verwarmende vlam, die uitgedoofde lichten ontsteekt en waardoor brandende lichten winnen in kracht. Zo zullen ook door jouw liefde, die in mijn hart ontstond en mij naar je toe trok, degenen die door de zonde gestorven zijn herleven, en zij die door zwanten rook bedekt zijn zullen verwarmd worden.”