Christus' woorden tot zijn bruid over hoe zijn geest zich niet kan vestigen in de goddelozen, en over de scheiding van de goddelozen van het goede en het zenden van goede mensen gewapend met geestelijke wapens om oorlog mee te voeren tegen de wereld.
Boek 1 - Hoofdstuk 6

Mijn vijanden zijn als de wildste van de beesten die nooit hun blijvende rust hebben. Hun hart is zo leeg van liefde voor mij, dat de gedachte aan mijn lijden nooit binnenkomt. Nooit hebben zij vanuit het diepste van hun hart gesproken: "Heer, u hebt ons vrijgekocht, moge u geprezen worden voor uw bittere lijden!" Hoe kan mijn Geest wonen in mensen die geen goddelijke liefde voor mij hebben, mensen die bereid zijn om anderen te verraden voor hun eigen wil? Hun hart is vol van ongedierte, ik bedoel, wereldse lusten. In hun monden heeft de duivel zijn uitwerpselen opgeslagen, daarom houden ze niet van mijn woorden.

Daarom zal ik ze met mijn gezag scheiden van mijn vrienden. Er is geen ergere manier om dood te gaan, dan dood te gaan onder het gezag. Eveneens, is er geen straf die zij niet zullen ondergaan: ze zullen in tweeën gespleten worden door de duivel en gescheiden van mij.
Ik vind ze zo verfoeilijk dat al hun aanhangers ook van mij gescheiden zullen worden.

Om deze reden stuur ik mijn vrienden, opdat zij de duivels zullen scheiden van mijn ledematen, daar de duivels mijn echte vijanden zijn. Ik stuur ze als ridders in de oorlog. Iedereen die zijn vlees vernedert en zich onthoudt van onwettige dingen is mijn ware ridder. Voor hun lans zullen zij de woorden van mijn mond hebben en hun handen het zwaard van geloof; op hun borsten zal de borstplaat van liefde zijn zodat, wat er ook gebeurt ze me niet minder lief zullen hebben. Zij moeten het schild van geduld aan hun zijde hebben om alle dingen met geduld te dragen.

Ik heb hen omhuld als goud in een kluis: ze moeten nu verdergaan en in mijn wegen wandelen. Volgens de voorgeschreven rechtvaardigheid, kon ik de glorie van mijn grootsheid niet binnentreden zonder de beproevingen van mijn menselijke natuur te ondergaan. Dus hoe zullen ze binnenkomen? Als hun Heer heeft geleden, is het niet verwonderlijk dat zij ook moeten lijden. Als hun Heer zweepslagen verdraagt, is het voor hen niet veel om woorden te verdragen. Ze hebben geen angst nodig, want ik zal hen nooit verlaten. Net zoals het onmogelijk is voor de duivel om bij het hart van God te komen en het te delen, het is dus onmogelijk voor de duivel om hen van mij te scheiden. En daar zij, in mijn zicht, als het zuiverste goud zijn, maar worden getest met een beetje vuur, zal ik ze niet verlaten: het is voor hun grotere beloning.