De woorden van de Koningin van de Hemel tot haar geliefde dochter, waarin ze leert hoe ze samen met zijn Moeder haar Zoon moet liefhebben en prijzen.
BOEK 1 – HOOFDSTUK 8

Ik ben de Koningin van de Hemel. Je was bezorgd over hoe je me moet prijzen. Weet met zekerheid dat alle lof aan mijn zoon, lof aan mij is. En degenen die hem te schande maken, maken mij te schande, aangezien mijn liefde voor hem en het zijne voor mij zo vurig was dat wij tweeën als één hart waren. Hij eerde mij, die een aards schip was, zo hoog, dat hij me heeft verheven boven alle engelen. Daarom, zou je me moeten prijzen op de volgende manier:

“Gezegend bent U, God, Schepper van alle dingen, die welwillend in de schoot van de Maagd Maria is nedergedaald. Gezegend bent U, God, die in de Maagd Maria wilde zijn zonder haar tot last te zijn en welwillend om een onbevlekt lichaam te ontvangen van haar zonder zonde.

Gezegend bent u, God, die uit de Maagd is gekomen, vreugde brengend aan haar ziel en haar gehele lichaam, en die uit haar ging met de zondeloze vreugde van haar gehele lichaam.
Gezegend bent u, God, die na uw hemelvaart de Maagd Maria, uw Moeder, heeft verheugd met vele troost. Gezegend bent u, God, die het lichaam en de ziel van de Maagd Maria, uw Moeder in de hemel heeft opgenomen en haar heeft geëerd door haar, boven alle engelen, naast uw goddelijkheid te plaatsen. Wees mij genadig omwille van haar gebeden.”