TOELATING TOT HET KLOOSTER.
KAP. 10.

Indien iemand vraagt om tot het kloosterleven toegelaten te worden, mag zij nooit aangenomen worden, vóór een geheel jaar verloopen is, maar moet haar eerst gezegd worden: “Kom over drie maanden terug, ondertusschen zullen wij ons over u bedenken.” Als zij op den bepaalden tijd terug komt, vrage de abdis haar, waarom zij in het klooster wenscht opgenomen te worden, en welke banden haar aan de wereld vasthouden. En als zij haar doel en redenen gehoord heeft, zal haar gezegd worden: “Dochter, soms is onder wat goed schijnt de strik der valschheid verborgen, en door gebrek aan voorzorg voor de toekomst worden velen bedrogen. Kom daarom over eenige maanden terug en toon ons uw verlangen, indien gij volhardt in het goede.”

Als zij terugkomt en zich verootmoedigt als vroeger, moet haar medegedeeld worden hoe hard en streng de regel is: afstand doen van de wereld en ouders vergeten. En als zij belooft, alles in acht te willen nemen, moet aan het einde van het jaar de geheele congregatie haar de toestemming geven. Is zij iemand, over wier levenswijze geen twijfel bestaat, moeten allen de eerste maal dat zij zich aanbiedt wel hun toestemming geven. Maar dan mag zij in geen geval in het klooster opgenomen worden en de gelofte afleggen of het ket kleed aannemen, voor het jaar verstreken is. En als zij aan het einde van het jaar wordt opgenomen, moet van beide kanten afgezien worden van het proefjaar in het klooster, zooals bij andere kloosterorden gebruikelijk is.

Als zij de vergunning gekregen heeft om tot het klooster toe te treden, wordt de bisschop uit het district gehaald, die verzocht wordt om haar te komen inkleeden. En als de bisschop komt (of een andere bisschop met zijn toestemming of een ander, die het recht heeft om in het district het ambt waar te nemen) dan gaat hij naar de Kerkdeur en vraagt haar, die buiten de Kerkdeur wacht en tot het kloosterleven wenscht toe te treden: “Zijt gij vrij en los van alle banden der Kerk, als huwelijk, geloften of ban?” Indien zij antwoordt: “In waarheid, ik ben vrij!” Zal de bisschop vervolgen: “Misschien dwingt schande of verdriet over wereldschen tegenspoed u tot het kloosterleven, of misschien dwingen hooge schulden u, die gij niet betaald hebt?”

Zij antwoordt: “In geenen deele brengt verdriet of schande er mij toe, maar gloeiende liefde voor Christus. En al mijne schulden heb ik nu volgens mijn vermogen betaald.” Dan zal verder de bisschop zeggen: “Vraagt gij om tot dit kloosterleven toe te treden in naam van Jezus Christus en ter eere van Zijn heiligste moeder de Maagd Maria?” En als zij antwoordt: “Ik vraag het,” zal de bisschop haar de kerk binnenleiden, zeggende: “Ziet, nu treedt zij waardig dit kloosterleven in.”

En als zij de Kerk ingaat, zal haar een rood vaandel getoond worden, dat aan den eenen kant het beeld vertoont van mijn gepijnigd lichaam en aan den anderen het beeld van mijn moeder, opdat de nieuwe bruid, als zij het beeld van den nieuwen bruidegom lijdend aan het kruis ziet, geduld en armoede moge leeren, en als zij de moedermaagd ziet, reinheid en ootmoed.

Als zij de Kerk is binnengeleid, moet zij bij de Kerkdeur staan en zal de bisschop op een afstand aan den anderen kant haar ring wijden. En twee brandende fakkels zullen het vaandel voorafgaan en branden zoolang de Mis gelezen wordt. En de bisschop leze het volgend gebed: “O! Almachtige, eeuwige God, die zich verlooft met een nieuwe bruid, zegen dezen ring, en evenals uw dienstmaagd uiterlijk op haar handen het teeken draagt van een nieuwe bruid, verdiene zij innerlijk Uw geloof en Uw liefde te dragen in naam van den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest.”