DE WIJDING, DE ZEGENING EN HET BINNENLEIDEN IN HET KLOOSTER.
KAP. 11.

Als de vingerring gewijd is, zal de bisschop naar Gods dienstmaagd gaan en zeggen: “Gij moet God beloven en mij, in Zijn plaats, dat gij uwe oversten gehoorzamen zult en dezen regel houden zult volgens geheel uw vermogen tot aan het einde uws levens.” Als zij belooft dat zij dit doen zal, zegge de bisschop: “In deze intentie zult gij God uw trouw geven en beloven, dat gij niets zoo zult liefhebben als uw God en met heel Uw verlangen u aan Hem verbinden zult.” Dan antwoorde zij: “Ik geef God mijn trouw met heel mijn hart en heel mijn gemoed, terwijl ik mij met allen eenvoud des harten aan Hem offer.”

En dan antwoordt de bisschop haar weer: “En ik, in naam van den almachtigen God en Zijn eenigen Zoon, onzen Heer Jezus Christus, geef u mijn verbintenis.” En hij leze het volgend gebed: “Almachtige God moge Jezus Christus, waar God en waar mensch, die zich verwaardigde neder te dalen in den schoot der maagd, in u leven en dat leven, die innige vereeniging in u bevestigd worden en gij in Hem, in den naam van den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest.” Daarop zal hij haar den vingerring aan den vinger der rechterhand schuiven, zeggende: “Ik wijd u als Gods bruid en tot Zijn eeuwig eigendom, in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen geestes.”

Daarop zal de bisschop weer naar het altaar gaan en de Mis ter eere der H. Drievuldigheid zingen. En Gods dienstmaagd zal, terwijl de Mis gezongen wordt, beneden bij het koor staan. En als de offerande begint zal zij naar het altaar gaan en offeren, en daarop aanstonds naar haar plaats terugkeeren.
Als de offerande gezongen is, zullen haar kleederen, die volgens den regel door het convent gereed gehouden worden, naar het altaar gebracht worden naar den bisschop, die ze zegenen zal, onder het volgend gebed:
“Heere Jezus Christus, die niet wil den dood der zondaars, maar hunne bekeering, hunne opstandig uit de zonden, wij bidden dat Gij U in Uw goedheid verwaardigt deze kleederen te zegenen, welke Uwe dienstmaagd denkt te dragen als een teeken van ootmoed en van bekeering uit den staat der zonden, opdat zij, als zij de ijdelheid dezer wereld heeft opgegeven, zich waardig in U moge kleeden door waren ootmoed, in naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.”
Als de kleederen gewijd zijn, zal een der geestelijken Gods dienstmaagd naar het altaar roepen voor den bisschop; barrevoets zal zij er heen gaan en haar bovenkleeren afleggen voor het altaar en alleen met een rok aan de gewijde kleeding ontvangen.

Dan zal de bisschop haar kleeden met het kleed der orde zeggende: “De almachtige God geve dat gij in waarheid uw zonden betere, en dat er volmaakt berouw in uw hart zij, in naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.” Daarna doet zij de schoenen aan haar voeten en zegge de bisschop: “Onze Heere Jezus Christus geve uwe voeten een goeden gang en late u zoo voortgaan op den weg der zaligheid, dat gij nooit meer zondigt.

Moge Hij u ware boetvaardigheid geven voor bedreven zonden en u er in ’t vervolg voor bewaren, in naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.” Als haar de kap wordt opgelegd, zegge de bisschop: “De Heere Jezus Christus, de hoop en troost aller christenen, geve u hoop en troost in uw gemoed, opdat gij zoo moogt hopen op Zijn barmhartigheid, opdat gij Zijn rechtvaardigheid niet moogt vergeten, en opdat gij Zijn strengheid zoo moogt vreezen, dat gij Zijn mildheid en goedheid niet vergeet in naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.”

Daarna moet zij den mantel omslaan en zegge de bisschop: “God, de almachtige Heer, de oorsprong van het waar geloof, sterke en bevestige uw ziel in waar geloof en geve u het geloof in die dingen welke geloofd moeten worden. Sta vast in het goede, dat gij begonnen zijt, tot aan het einde uws levens, in naan des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.” Daarop moet de mantel met een houten knoop vastgemaakt worden, terwijl de bisschop zegt: “Onze Heere Jezus Christus, die voor de groote liefde, waarmede Hij ons liefhad, aan het kruis genageld werd en tot den bittersten dood veroordeeld, doorsteke uw ziel en drukke er de herinnering in aan Zijn lijden, opdat uw liefde gloeie voor God alleen; en het vuur Zijner liefde omsluite u en late u rusten op Zijn gezegenden arm, waarop al de Heiligen steunden, in naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.”

Daarop zal zij haar hoofd in dem sluier hullen en terwijl de bisschop er de speld in steekt, zegge hij: “Onze Heere Jezus Christus zij uw ziel tot bescherming en troost, opdat niets schadelijks haar benadeelen zal, in naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.” Als de sluier over haar heen gelegd is, zegge de bisschop: “Onze Heere Jezus Christus geve uw verstand geestelijk licht en geestelijke wijsheid, opdat alle aardsche dingen en alles wat schadelijk is voor uw ziel, dood moge zijn in uwe oogen, en de weg, die naar het hemelrijk leidt, aan uw ziel getoond worde, opdat gij uw geloof in Hem bekennen moge, die u heeft uitverkoren, in naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.”

Als dit geëindigd is, zal Gods dienstmaagd teruggaan naar de plaats waar zij eerst gestaan heeft en voleindige de bisschop de Mis. En als hij aan dat deel van de Mis komt, waar de Priester gedurende een huwelijksmis zich pleegt om te wenden om bruidegom en bruid te zegenen, wende ook de bisschop zich om en een priester roepe Gods dienstmaagd naar het altaar, en terwijl de bisschop haar de kroon op den sluier zet, zegge hij: “Onze Heere Jezus Christus bevestige in u Zijn teeken, dat ik u nu op het hoofd plaats; en moge uw wil in alles door Hem bestuurd worden, door Hem aan Wien gij nu trouw en standvastigheid beloofd hebt.

Hij laat u nu volgens Zijn zoeten wil kronen met de kroon der vreugde, opdat uw ziel onverbreekbaar verbonden zij met Hem, die één God is in drie personen, in naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.” Daaarop zette de bisschop de speld in de kroon, zeggende: “Jezus Christus moge uw ziel en uw hart vereenigen met Zijn liefde, opdat zij niet door steken der verleiding beangstigd worden, in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.”

Als dit geëindigd is, moet Gods dienstmaagd naar haar vroegere plaats terug gaan, tot de Mis geëindigd is. En als de Mis geëindigd is, roepe een priester haar naar het altaar, zeggende: “Bruid van Christus, nader tot het altaar van Christus.” Dan nadere zij het altaar en valle op haar aangezicht om vergiffenis te smeeken voor hare zonden. En de bisschop valt op de knieën met zijn priesters en leze de litanie, alle Heiligen biddend om Gods dienstmaagd bij te staan. Als de litanie geëindigd is, zal de bisschop opstaan en naar Gods dienstmaagd toegaan, daar waar zij op den grond ligt, en de absolutie der zonden over haar uitspreken en als zij de absolutie verkregen heeft, zal zij opstaan en Mijn lichaam nuttigen.

Als zij het genuttigd heeft, wordt de deur geopend, waardoor Gods dienstmaagd zal binnengaan. En vier zusters zullen snel de baar in het klooster dragen, met aarde bedekt. Deze baar moet voor de deur gezet worden, vóor de Mis begint. Daarop zal de bisschop naar die deur gaan, gevolgd door Gods dienstmaagd met twee fakkels, terwijl de priesters den lofzang zingen Veni creator Spiritus. En de bisschop zal haar overleveren aan de abdis, die aan de deur van het klooster wacht. En de bisschop zegge aan de abdis de volgende woorden: “Zie, voor God en alle Heiligen en voor het aanschijn der Heilige Kerk lever ik de ziel van deze bruid Gods over aan de hoede uwer handen.

En indien zij door uw verzuim in zonde vervalt, zal haar bruidegom Jezus Christus haar van u terugeischen. Bewaar en behoed daarom Gods eigendom, aan uwe hoede toevertrouwd, opdat als rekenschap wordt afgelegd, zij, die gij heilig ontvingt, heiliger teruggegeven worde.” Waarop de abdis zal antwoorden: “O, dierbaarste vader, dit bezit is kostbaar en de taak is zwaar. Mijn krachten zijn daarvoor niet toereikend. Doch, als ik word bijgestaan door uwe gebeden, zal ik, met den troost van Gods hulp, doen wat gij gebiedt.”

En als Gods dienstmaagd binnen is geleid, wordt aanstonds de deur gesloten en wordt zij dadelijk naar het kapittel gebracht. Gedurende de acht eerste dagen van haar verblijf in het klooster wordt haar dan niets bevolen, zij handelt naar eigen goedkeuren en moet wat lager in het koor staan. Maar als de acht dagen verloopen zijn, moet zij de regels volgen zooals de anderen en neemt zij de laatste plaats in, in het koor en aan tafel.