GRONDREGEL.
KAP. 2.

De grondregel en het begin van deze orde en der zaligheid is ware ootmoed, vlekkelooze zuiverheid en vrijwillige armoede.
Daarom is het niemand toegelaten iets, zelfs het allergeringste niet, in eigendom te hebben; zelf geen penning, noch die met de handen aan te raken. Evenmin zilver, noch goud, tenzij het noodig is dit aan te raken voor een handwerk en zelfs dan alleen met de toelating der abdis. Alle benoodigheden moeten door de abdis verschaft worden, te weten de orde-kleederen, beddegoed en wat noodig is voor den arbeid. Niemand mag iets hebben wat de regel niets toestaat.